Bijvoeglijke naamwoorden oefenen (A2 TC thema 1)

Terugblik
Schijdbare werkwoorden....

Wat waren dat voor woorden?
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Terugblik
Schijdbare werkwoorden....

Wat waren dat voor woorden?

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een scheidbaar werkwoord?
Een scheidbaar werkwoord heeft 2 woorden:
een werkwoord en een ander woord
Meestal is dit een voorzetsel -> (aan, achter, in, om, op, over....)

 
scheibare ww
ander woordje
werkwoord
aankomen
aan
komen
meenemen
mee
nemen
schoonmaken
schoon
maken

Slide 2 - Tekstslide

Kun je een voorbeeld geven?
  • opladen 
  • afwassen
  • schoonmaken
  • aankomen
  • meenemen
  •  uitlachen

Slide 3 - Tekstslide

Bijvoeglijke naamwoorden oefenen (A2 TC thema 1)
Doel van de les:
* Aan het einde van de les weten jullie wat een bijvoeglijk naamwoord is.
* Hebben we geoefend met het schrijven van deze woorden.

Slide 4 - Tekstslide

Een bijvoeglijk naamwoord geeft extra informatie over een ding, mens of dier
Bijvoorbeeld:
de rode jas          --> rood zegt iets over de jas

de oranje auto     --> oranje zegt iets over de auto

de grote boot  --> grote zegt iets over de boot

Slide 5 - Tekstslide

Maar let op!!

Slide 6 - Tekstslide

Staat het bijvoeglijk naamwoord aan het eind van de zin? Dan schrijf je de kortste vorm.
  • Staat het bijvoeglijk naamwoord aan het eind   van de zin? 
  • Dan schrijf je de kortste vorm.
  1. De stoel is wit.
  2. De kast is groot.
  3. Het meisje is lief.

Slide 7 - Tekstslide

Staat het bijvoeglijk naamwoord aan het eind van de zin? Dan schrijf je de kortste vorm.
  • Staat het bijvoeglijk naamwoord voor een mens   of ding? 
  • Dan krijgt het een +e.
Let op: korte/lange klank en laatste letter -f/-s)
  1. De witte stoel. -> korte klank dubbele medeklinker
  2. De grote kast. -> lange klank 1 klinker - 1 medeklinker
  3. Het lieve meisje. -> F = V

Slide 8 - Tekstslide

Even oefenen, pak je wisbordje




Schrijf het juiste bijvoegelijke naamwoord op

Slide 9 - Tekstslide

Mijn zus is zwanger. Ze heeft een ................ buik

  • dik
  • dikke
  • dike
Denk aan de regel!

Slide 10 - Tekstslide

Ik zie een ........... (klein) en een .............. (groot) hond.
Denk aan de regel!

Slide 11 - Tekstslide

De .......... (grijs) olifant
Denk aan de regel!

Slide 12 - Tekstslide

Een .......... (zwaar) steen
Denk aan de regel!

Slide 13 - Tekstslide

De .......... (vies) schoenen
Denk aan de regel!

Slide 14 - Tekstslide

Goed opgelet....
          Nu jullie ;)                                                   Klaar ?

Ga eerst aan het werk in TC-boek.
Is je dictee-maatje klaar (zie bord) dan samen dictee doen.

Slide 15 - Tekstslide