Een voornaamwoord verwijst naar mensen, dieren of dingen zonder deze bij naam te noemen.
Voornaamwoorden worden gebruikt in plaats van een zelfstandig naamwoord.
Voornaamwoorden hebben zelf niet direct betekenis: ze verwijzen naar woorden die wel betekenis hebben.
Er zijn 8 verschillende voornaamwoorden.
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2
In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.
Lesduur is: 30 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Voornaamwoorden
Een voornaamwoord verwijst naar mensen, dieren of dingen zonder deze bij naam te noemen.
Voornaamwoorden worden gebruikt in plaats van een zelfstandig naamwoord.
Voornaamwoorden hebben zelf niet direct betekenis: ze verwijzen naar woorden die wel betekenis hebben.
Er zijn 8 verschillende voornaamwoorden.
Slide 1 - Tekstslide
Waarom een voornaamwoord?
A. Tante had een boek aan Jan gegeven. Jan bedankte tante voor het boek. Tante vertelde Jan dat het boek erg leuk was.
B. Tante had een boek aan Jan gegeven. Hij bedankte haar voor het boek. Ze vertelde hem dat het erg leuk was.
Slide 2 - Tekstslide
Acht voornaamwoorden
<b>Verwijst naar zelfstandig naamwoorden.</b><div><b>1e persoon ben jezelf-ik</b></div><div><b>2e persoon iem. met wie je praat</b></div><div><b>3e persoon iem. waarover je praat</b></div><div><b><br></b></div><div><br></div>
<b>Geeft bezit aan. Staat meestal meteen voor zelfst. nw.</b>
<b>Wijst naar iets. Kan alleen staan of meteen voor zelfst. nw.</b>
Persoonlijk vnw.
Bezittelijk vnw.
Vragend vnw.
<b>Niet elk vraagwoord is een vragend voornaamwoord.</b>
Aanwijzend vnw.
<b>Heeft betrekking op woord dat er vlak voor staat.</b>
Wederkerend vnw.
<b>Geeft iets vaags aan.</b>
Wederkerig vnw.
<b>Alleen het woordje 'elkaar'.</b>
Betrekkelijk vnw.
<b>Hoort bij het wederkerend werkwoord</b>
Onbepaald vnw.
Slide 3 - Tekstslide
Slide 4 - Video
Over welke woordsoorten ging dit liedje?
A
zelfstandige naamwoorden en lidwoorden
B
werkwoorden
C
persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden
D
voorzetsels
Slide 5 - Quizvraag
Persoonlijk voornaamwoord
Persoonlijke voornaamwoorden (pers. vnw) verwijzen naar een persoon,
een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.
Persoonlijke voornaamwoorden zijn aparte zinsdelen, die je als onderwerp, lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp kunt benoemen.
Slide 6 - Tekstslide
Let op!
Het is alleen een persoonlijk voornaamwoord als het een apart zinsdeel is. Als het een deel van een zinsdeel is, is het een lidwoord.
voorbeeld
Het is opgeknapt. --> Het = persoonlijk voornaamwoord
Het weer is opgeknapt. --> Het = bepaald lidwoord.
Het hoort in deze zin bij het zelfstandig naamwoord weer.
Slide 7 - Tekstslide
Truc
Twijfel je of het om een persoonlijk voornaamwoord gaat?
Vervang het persoonlijk voornaamwoord dan door een naam.
Lukt dat? --> Persoonlijk voornaamwoord!
voorbeeld
Hij heeft heel goed zijn best gedaan vandaag.
Frenkie heeft heel goed zijn best gedaan vandaag.
Slide 8 - Tekstslide
Bezittelijk voornaamwoord
Een bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw) geeft een bezit aan.
Het kan bijvoeglijk of zelfstandig in een zin voorkomen.
Bij zelfstandig gebruik staat er een lidwoord voor.
voorbeeld
Heb je haar samenvatting gebruikt? --> bijvoeglijk gebruikt
Je kunt beter de zijne gebruiken. --> zelfstandig gebruikt
Slide 9 - Tekstslide
Let op!
Ben je jouw kluissleutel kwijt?
jouw = bezittelijk voornaamwoord
Deze kluissleutel is van jou.
jou = persoonlijk voornaamwoord
Slide 10 - Tekstslide
persoonlijke en bezittelijke voornaamwoordenPpppppp
Slide 11 - Tekstslide
Tot welke woordsoort behoren de volgende woorden? ik , hij , wij , jullie
A
bezittelijk voornaamwoord
B
persoonlijk voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord
D
betrekkelijk voornaamwoord
Slide 12 - Quizvraag
Ik heb het vanmorgen in de krant gelezen.
'het' is een ...
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord
D
aanwijzend voornaamwoord
Slide 13 - Quizvraag
Dit is niet onze boom, maar hun boom.
'onze' is een ...
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord
D
aanwijzend voornaamwoord
Slide 14 - Quizvraag
Die rode fiets is van jou.
'jou' is een ...
A
bezittelijk voornaamwoord
B
bijvoeglijk naamwoord
C
persoonlijk voornaamwoord
Slide 15 - Quizvraag
Wat zijn de persoonlijke voornaamwoorden uit deze zin:
Gisteren zag ik Antoinette en zij zei blozend tegen mij: 'Jouw broer is erg knap!'
A
ik
B
ik - zij
C
ik - zij - mij
D
ik - zij - mij - jouw
Slide 16 - Quizvraag
Hun komt nooit voor als onderwerp!
Slide 17 - Tekstslide
Slide 18 - Video
Wederkerend voornaamwoord
Wederkerende voornaamwoorden zijn woorden als me, je, zich en ons.
Deze woorden slaan terug op het onderwerp.
wederkeren = terugkeren
Sommige werkwoorden hebben altijd een wederkerend voornaamwoord bij zich:
zich vergissen / zich aanstellen / zich voornemen
Ik vergis me / Hij stelt zich aan / Wij nemen onsvoor
Het wederkerend voornaamwoord past zich aan het onderwerp van de zin aan.
Slide 19 - Tekstslide
Wederkerend voornaamwoord
Andere werkwoorden komen soms
met
een wederkerend voornaamwoord voor:
zich wassen: Zij wast zich / Zij wast haar auto
zich scheren: Hij scheert zich/ Hij scheert zijn baard
Slide 20 - Tekstslide
Truc!
Twijfel je of het om een wederkerend voornaamwoord gaat?
Voorbeeld
Je vergist je toch nooit?
Oplossing: vervang jedoor hij
Hij vergist zich toch nooit?
Je verandert in zich, je is dus het wederkerend voornaamwoord!
Slide 21 - Tekstslide
Sandra verslikt zich in die snoepjes van jou.
Benoem het wederkerend voornaamwoord.
A
zich
B
jou
Slide 22 - Quizvraag
Wij bemoeien ons niet met zijn zaken.
Benoem het wederkerend voornaamwoord.
A
Wij
B
zijn
C
ons
Slide 23 - Quizvraag
Moet je je nog wassen vandaag?
Benoem het wederkerend voornaamwoord.
A
eerste 'je'
B
tweede 'je'
Slide 24 - Quizvraag
Welke van de onderstaande voorbeelden bevat een wederkerend voornaamwoord?
A
Die broer van jou
B
Ik schaam me
C
Ik lees ze niet
D
Hij heeft geleerd
Slide 25 - Quizvraag
Het aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw) wijst iets of iemand aan.
Er zijn vier aanwijzende voornaamwoorden:
Bij een de-woord gebruik je altijd die of deze: deze school, die sporter.
Bij een het-woord gebruik je altijd dit of dat: dithuis, dat gebouw.
Het aanwijzend voornaamwoord kan ook zelfstandig gebruikt worden.
Het vervangt dan woorden die je er achter kunt denken.
Geef dat (boek) eens aan!
Een aanwijzend voornaamwoord kan ook naar een zin verwijzen.
Aanwijzend voornaamwoord
Slide 26 - Tekstslide
Vragend voornaamwoord
De vragende voornaamwoorden (vr. vnw) zijn:
wie, wat, welk(e) en wat voor (een).
Meestal staan ze aan het begin van een vraagzin.
Soms staan ze midden in een zin. Dan zijn ze wat lastiger te herkennen.
Door de zin vragend te maken, komt het vragend voornaamwoord vooraan in de zin te staan.
Kun je mij vertellen wat voor mobiel jij hebt?
Wat voor een mobiel heb jij?
Slide 27 - Tekstslide
Let op!
Vraagwoorden als waarom, hoe, waarin, waarmee enz. verwijzen niet
naar mensen of dingen.
Ze verwijzen naar redenen, tijden of plaatsen.
Dit zijn dan ook geen vragende voornaamwoorden.
Dit zijn voorbeelden van bijwoorden: deze woordsoort is apart behandeld.
Slide 28 - Tekstslide
Wat heb je gisteren gedaan? 'Wat' is een..
A
Vragend voornaamwoord
B
betrekkelijk voornaamwoord
C
onbepaald voornaamwoord
D
aanwijzend voornaamwoord
Slide 29 - Quizvraag
Kun je mij vertellen wie het schoolfeest dit jaar organiseert?