Wingsuitvlieger boven Langar Airfield, 2012 (foto: Wingsuiting, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF · C1 · NEWTON, LUCHTWEERSTAND
Quiz
Terugblik: Newton en luchtweerstand
Wingsuitvlieger boven Langar Airfield, 2012 (foto: Wingsuiting, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF · C1 · NEWTON, LUCHTWEERSTAND
Quiz
Terugblik: Newton en luchtweerstand
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Wingsuiting / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Welke eenheid heeft cw in Fw,l = ½·ρ·cw·A·v²?
kg/m³
m²
cw heeft geen eenheid
N·s/m
kg/m³ · m² · m²/s² = kg·m/s² = N, dus cw is dimensieloos. Fouten: de eenheid van ρ of A overnemen. Syllabus C1.3, A15.
Een zaal is 12 m bij 8,0 m bij 3,0 m. Bereken de massa lucht (ρ = 1,2 kg/m³).
2,4·10² kg
2,9·10² kg
3,5·10² kg
4,2·10⁻³ kg
V = 12·8,0·3,0 = 288 m³; m = ρ·V = 1,2·288 = 345,6 = 3,5·10² kg. Fouten: V/ρ (2,4·10²), het volume als massa (2,9·10²), ρ/V (4,2·10⁻³). Controle: 345,6/288 = 1,2. Syllabus C1.3 (ρ = m/V).
Een skiër gaat 2 keer zo snel en maakt A de helft (cw en ρ gelijk). Fw,l wordt:
2 keer zo groot
4 keer zo groot
gelijk
8 keer zo groot
Fw,l ∝ A·v²: factor ½ · 2² = 2. Fouten: alleen v² (4), ½ en v wegstrepen (gelijk), 2³ (8). Syllabus C1.3, A15.
Vul in
In het valmodel is Fw = ½·ρ·cw·A·v² een modelregel, en Als t ≥ 20 Dan Stop EindAls bevat de stopvoorwaarde van het model.
Modelregel, stopvoorwaarde: herken de onderdelen in het model van de val (figuur bij Een numeriek model). Syllabus A14.1 (vakbegrippen, notatie Als..Dan..EindAls en Stop).
Regendruppel: m = 3,3·10⁻⁵ kg, cw = 0,45, A = 1,3·10⁻⁵ m², ρ = 1,2 kg/m³. Bereken veind.
6,8 m/s
92 m/s
4,8 m/s
9,6 m/s
v² = 2·3,3·10⁻⁵·9,81/(1,2·0,45·1,3·10⁻⁵) = 6,475·10⁻⁴/7,02·10⁻⁶ = 92,2; v = 9,6 m/s. Fouten: de 2 vergeten (6,8), wortel vergeten (92), ½ in plaats van 2 (4,8). Controle: 0,5·1,2·0,45·1,3·10⁻⁵·9,6² = 3,2·10⁻⁴ N = m·g. Syllabus C1.5.
Welke bewering over een fietser klopt?
Fw,l en Fw,r groeien allebei met v² mee
Fw,l groeit met v², Fw,r blijft ongeveer gelijk
Fw,l blijft gelijk, Fw,r groeit met v²
Fw,l groeit evenredig met v, Fw,r met v²
Fw,l = ½·ρ·cw·A·v² groeit kwadratisch; de rolweerstandskracht is bij benadering constant. Syllabus C1.3.
Zet de stappen van één modelronde op volgorde
Volgorde volgens de modelregels: Fw, Fres, a, v, daarna de test. Fz is constant. Syllabus A14.1 (iteratief proces).
Welke 2 grootheden in Fw,l verandert een parachute?
A (groter) en cw (andere vorm, groter). Fout: v of m noemen; die veranderen niet door het openen zelf. Syllabus C1.3.
Een fietser (90 kg, cw = 0,90, A = 0,50 m²) rijdt 8,0 m/s met Fspier = 45 N, Fw,r = 7,0 N. Bereken a. ρ = 1,2 kg/m³.
0,23 m/s²
0,31 m/s²
0,42 m/s²
0,77 m/s²
Fw,l = 0,5·1,2·0,90·0,50·8,0² = 17,3 N; ΣF = 45 − 7,0 − 17,3 = 20,7 N; a = 20,7/90 = 0,23 m/s². Fouten: Fw,r vergeten (0,31), Fw,l vergeten (0,42), weerstanden opgeteld (0,77). Controle: 90·0,23 = 20,7. Syllabus C1.3, C1.5.
Bepaal de eindsnelheid van het voorwerp uit het diagram.
37 m/s
47 m/s
42 m/s
21 m/s
De grafiek loopt horizontaal op v = 42 m/s: dan is ΣF = 0. Fouten: een rasterlijn verkeerd aflezen (37, 47), de helft nemen (21). Syllabus C1.2, A12. Image credit: Eigen figuur
Een voorwerp valt met v = 0,50·veind. Hoe groot is a?
4,9 m/s²
7,4 m/s²
2,5 m/s²
9,8 m/s²
Fw,l ∝ v²: bij 0,50·veind is Fw,l = 0,25·Fz. ΣF = 0,75·m·g, dus a = 0,75·9,81 = 7,36 = 7,4 m/s². Fouten: Fw,l = ½·Fz (4,9), Fw,l = 0,75·Fz (2,5), luchtweerstand vergeten (9,8). Syllabus C1.2, C1.5.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF · C1 · NEWTON, LUCHTWEERSTAND
Goed gedaan!
Je kunt nu met ΣF = m·a en Fw,l = ½·ρ·cw·A·v² een val met luchtweerstand doorrekenen, ook stap voor stap met een numeriek model. Tip: schrijf bij elke som eerst je positieve richting op.
Deze slide heeft geen instructies