BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Examentraining
Instituties en representatie: zo pak je examenvragen aan
BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Examentraining
Instituties en representatie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Hermann Luyken / Wikimedia Commons, CC0
BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Wat ga je kunnen?
Ik kan instituties en partijfuncties herkennen, representativiteit beoordelen met gegevens, modellen vergelijken en legitimiteit en stabiliteit verklaren in een casus.
This item has no instructions
BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat vraagt de vraag: herkennen, beoordelen, vergelijken of verklaren?
2. Zoek: welk concept zit in de casus? Onderstreep de aanwijzing of het getal.
3. Reken: vergelijk percentages als procentpunten, niet als procenten.
4. Schrijf: concept, aanwijzing uit de casus, conclusie.
This item has no instructions
BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Vraagtype 1: partijfuncties en ontwikkelingen
Koppel de handeling in de casus aan één van de vijf functies.
Vraagt de casus naar een probleem van partijen, kies dan zwevende kiezers, dalend ledental, concurrentie of gerichtheid op functies.
This item has no instructions
Een partij weegt de wensen van boeren en woningzoekenden af in één verkiezingsprogramma. Welke functie?
Articulatie
Mobilisatie
Communicatie
Aggregatie
Goed: wensen en belangen tegen elkaar afwegen en samenbrengen. Verwachte fout: articulatie, omdat wensen in het spel zijn. Syllabus 15.1.
Een partij vindt geen kandidaten. Oorzaak?
Goed antwoord: het aantal leden van traditionele partijen daalt, waardoor rekrutering van kandidaten voor alle politieke functies moeilijker wordt. Verwachte fout: zwevende kiezers noemen, wat over kiesgedrag gaat. Syllabus 15.1.
Vergadering van de Tweede Kamer, 1952
BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Vraagtype 2: representativiteit beoordelen met gegevens
Bepaal het aandeel van de groep in de bevolking en in de volksvertegenwoordiging.
Trek de aandelen van elkaar af: het verschil is in procentpunten. Is het kleiner in het parlement, dan is de groep ondervertegenwoordigd.
Image credit: Onbekend / Wikimedia Commons, publiek domein
In land Z is 52% van de bevolking vrouw en 36% van de parlementsleden. Wat klopt?
Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd, met 16 procentpunt verschil
Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd, met 16 procent verschil
Vrouwen zijn oververtegenwoordigd, met 16 procentpunt verschil
Het parlement is representatief, want 36% is bijna de helft
Goed: 52 min 36 is 16 procentpunt, het aandeel is lager in het parlement. Verwachte fout: procent in plaats van procentpunt. Syllabus 15.2 en A3.3. Land Z is verzonnen.
Jongeren: bevolking 25%, Kamer 7%. Verschil?
Goed antwoord: 18 procentpunt, dus jongeren zijn ondervertegenwoordigd en het afspiegelingsmodel wordt niet gehaald. Verwachte fout: 18 procent zeggen. De getallen zijn verzonnen. Syllabus 15.2.
BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Vraagtype 3: visies vergelijken
Bepaal bij elke visie waarop die let: kenmerken, eigen mening of partij.
Het rolmodel verklaart slecht waarom afgevaardigden de partijlijn volgen.
This item has no instructions
Een Kamerlid stemt anders dan de meeste kiezers wensen: 'Ik oordeel zelf.' Welk model?
Afspiegelingsmodel
Partijenmodel
Rolmodel
Volksmodel
Goed: het rolmodel gaat uit van gevolmachtigde gekozenen. Verwachte fout: het partijenmodel, omdat het Kamerlid tot een partij behoort. Syllabus 15.2.
Waarin verschilt het partijenmodel van het afspiegelingsmodel?
Het eerste let op persoonlijke kenmerken, het tweede op opvattingen
Het eerste vraagt gevolmachtigden, het tweede gebonden vertegenwoordigers
Het eerste let op politieke opvattingen, het tweede op persoonlijke kenmerken
Het eerste wil geen verkiezingen, het tweede wel
Goed: partijenmodel gaat over de verdeling van politieke opvattingen, afspiegelingsmodel over kenmerken als sekse, opleiding en leeftijd. Verwachte fout: de omgekeerde optie. Syllabus 15.2.
De Hoge Raad der Nederlanden, Den Haag
BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Vraagtype 4: legitimiteit en stabiliteit
Vraag je af: berust de stabiliteit op erkenning (legitimiteit) of op dwang (geweldsmonopolie)?
Let bij democratieën op representatie, spelregels en vertrouwen in de rechter.
Image credit: Fred Romero / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Regime X is al jaren stabiel, maar de meeste burgers vinden het niet legitiem. Verklaring?
Het regime kan stabiel blijven door het geweldsmonopolie
De burgers voelen zich goed vertegenwoordigd
Volkssoevereiniteit houdt het regime vanzelf in stand
Er is een sterke binding via inclusief burgerschap
Goed: syllabus 15.3 zegt dat regimes lang stabiel kunnen blijven bij geringe legitimiteit, door het geweldsmonopolie. Verwachte fout: legitimiteit als oorzaak van stabiliteit zien.
Vertrouwen in de rechter daalt: gevolg?
Goed antwoord: de bindingen van burgers met de democratische rechtsstaat en de legitimiteit van de rechtsstatelijke actoren nemen af. Verwachte fout: alleen zeggen dat er meer misdaad komt. Syllabus 15.3.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Partijfuncties en ontwikkelingen
Representativiteit met gegevens
Visies vergelijken
Legitimiteit en stabiliteit
Oefen het meest gekozen vraagtype eerst.
BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES
Tips voor op het examen
Schrijf procentpunt bij een verschil tussen twee percentages.
Noem het concept, de aanwijzing uit de casus en de conclusie.
Maak onderscheid tussen representatie (optreden) en representativiteit (mate van overeenkomst).
Koppel stabiliteit aan legitimiteit of aan geweldsmonopolie, en leg de keuze uit.
This item has no instructions