Instituties en representatie (Maatschappijwetenschappen vwo), les 3: Terugblik quiz

BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES

Quiz

Terugblik: Instituties en representatie

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met een quiz van elf vragen over politieke instituties, representatie, democratie en legitimiteit.

Items in this lesson

BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES

Quiz

Terugblik: Instituties en representatie

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Hermann Luyken / Wikimedia Commons, CC0

Vul in: volkssoevereiniteit

Bij volkssoevereiniteit komt de macht van regeerders van de burgers, die via algemene verkiezingen bepalen welke partijen macht krijgen.

volkssoevereiniteit
burgers
verkiezingen
geweldsmonopolie
rechters

Syllabus 15.2. Verwachte fout: geweldsmonopolie, dat een bevoegdheid van de staat is.

Welk kenmerk hoort bij de staat als politieke institutie?

A

Het recht om wetten te maken zonder verkiezingen

B

Verplicht lidmaatschap van een politieke partij

C

Geweldsmonopolie en monopolie op belastingheffing

D

Het monopolie op informatievoorziening

Syllabus 15.1. Verwachte fout: het monopolie op informatievoorziening, dat juist bij een democratie ontbreekt.

Welke bewering over politieke instituties klopt?

A

Ze geven houvast en stabiliteit, maar kunnen veranderd worden

B

Ze liggen vast en kunnen nooit veranderen

C

Ze bestaan alleen als geschreven wetten

D

Ze gelden alleen voor politieke partijen

Syllabus 15.1. Verwachte fout: alleen geschreven wetten. Informele regels tellen ook mee.

Wat betekent het voor partijen dat er meer zwevende kiezers zijn?

A

Minder mensen gaan stemmen

B

Partijen zijn minder stabiel en brengen groepen moeilijker samen

C

Partijen krijgen meer leden

D

Partijen hoeven wensen niet meer af te wegen

Syllabus 15.1. Verwachte fout: de eerste optie. Zwevende kiezers stemmen wel, maar wisselen.

Waarom is een volledig afspiegelend parlement vaak moeilijk te realiseren?

A

Het kiesstelsel verbiedt kandidaten uit minderheden

B

Partijen mogen geen kandidaten selecteren

C

Burgers mogen niet vrij kiezen

D

Bij vrije verkiezingen zijn sommige groepen over- of ondervertegenwoordigd

Syllabus 15.2. De afleiders zijn onjuist: bij vrije verkiezingen kiezen burgers zelf.

Zet op volgorde: representativiteit beoordelen

1

Bepaal het aandeel van de groep in de bevolking

2

Bepaal het aandeel in de volksvertegenwoordiging

3

Trek een conclusie over onder- of oververtegenwoordiging

4

Bereken het verschil in procentpunten

Syllabus 15.2 en A3.3. Verwachte fout: de conclusie voor de berekening zetten.

Wat houdt inclusief burgerschap in?

A

Alle volwassenen die permanent in het land verblijven krijgen dezelfde rechten

B

Alle inwoners, ook kinderen, mogen stemmen

C

Alleen geboren staatsburgers hebben volledige rechten

D

Alle partijen krijgen evenveel zetels

Syllabus 15.2, zesde vereiste. Verwachte fout: iedereen mag stemmen, ook kinderen.

Een land houdt vrije verkiezingen, maar verbiedt het oprichten van politieke partijen. Welke vereiste ontbreekt?

A

Vrijheid van meningsuiting

B

Inclusief burgerschap

C

Vrijheid van vereniging

D

Meerdere informatiebronnen

Syllabus 15.2. Het land is verzonnen. Verwachte fout: vrijheid van meningsuiting, die er in deze casus niet bij hoeft te ontbreken.

Wat is de kloof tussen burger en politiek?

Goed antwoord: een deel van de burgers voelt zich niet vertegenwoordigd door de politieke partijen. Verwachte fout: zeggen dat burgers niet stemmen. Syllabus 15.2.

Een partij verliest een stemming, maar steunt de parlementaire democratie nog. Waarom?

A

Ze heeft zelf het geweldsmonopolie

B

Verliezers hebben geen politieke binding

C

Haar visie is verwoord en de democratische spelregels zijn gevolgd

D

De rechter heeft de uitslag aangepast

Syllabus 15.3. Verwachte fout: de tweede optie. Juist binding blijft bestaan.

Hoe hangen legitimiteit en politieke binding samen?

A

Ze versterken elkaar: legitimiteit versterkt binding en andersom

B

Legitimiteit ontstaat alleen door dwang

C

Binding ontstaat pas als het systeem faalt

D

Legitimiteit verkleint de binding

Syllabus 15.3. Verwachte fout: denken dat het eenrichtingsverkeer is.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

BINDING · POLITIEKE INSTITUTIES

Goed gedaan!

Politieke instituties geven regels en organisaties, representatie en representativiteit laten zien of burgers zich vertegenwoordigd voelen, en legitimiteit houdt het systeem stabiel.

This item has no instructions

More lessons like this