Instituties en representatie (Maatschappijwetenschappen havo), les 2: Examentraining

BINDING · INSTITUTIES

Examentraining

Instituties en representatie: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: instituties en partijfuncties herkennen, representativiteit beoordelen met gegevens, visies op representativiteit vergelijken en het belang ervan uitleggen. Elk met twee vragen.

Items in this lesson

BINDING · INSTITUTIES

Examentraining

Instituties en representatie: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Hermann Luyken / Wikimedia Commons, CC0

BINDING · INSTITUTIES

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een casus instituties en partijfuncties herkennen, representativiteit beoordelen met gegevens, visies vergelijken en het belang van representativiteit uitleggen.

This item has no instructions

BINDING · INSTITUTIES

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat vraagt de vraag: herkennen, beoordelen, vergelijken of verklaren?

  • 2. Zoek: welk begrip zit in de casus of in de gegevens? Onderstreep de aanwijzing.

  • 3. Vergelijk: zet gegevens naast elkaar, bijvoorbeeld vertegenwoordigers en bevolking.

  • 4. Schrijf: begrip, aanwijzing uit de casus of het gegeven, conclusie. Een definitie alleen is te weinig.

This item has no instructions

BINDING · INSTITUTIES

Vraagtype 1: instituties en functies herkennen

  • Je krijgt een casus en moet een politieke institutie of een partijfunctie herkennen.

  • Vraag je af: gaat het om een regel (formeel of informeel) of om een organisatie?

  • Bij partijen: kijk wat de partij precies doet in de casus en kies de functie die daarbij past.

Syllabus 15.1 en A2: begrippen toepassen op een nieuwe context. Veelgemaakte fout: de definitie opschrijven zonder te verwijzen naar de casus. Laat leerlingen het woord uit de casus onderstrepen waaraan ze het begrip herkennen.

Partij Z zoekt en draagt kandidaten voor de gemeenteraad voor. Welke functie?

A

Articulatie

B

Mobilisatie

C

Communicatie

D

Rekrutering en selectie

Goed: rekrutering en selectie, het zoeken en voordragen van kandidaten. Verwachte fout: mobilisatie. Daarbij gaat het om het interesseren van burgers voor deelname, niet om het voordragen van kandidaten.

Rechters zijn onafhankelijk van de regering. Wat voor institutie is dit?

A

Een formele institutie, een pijler van de rechtsstaat

B

Een informele institutie, gebaseerd op gewoonte

C

Een politieke partij met een eigen programma

D

Een belangengroep die de politiek beïnvloedt

Goed: de onafhankelijke rechterlijke macht is een formele politieke institutie en een pijler van de rechtsstaat. Verwachte fout: informeel kiezen omdat rechters zich 'gewoon' onafhankelijk opstellen. Het gaat om een formele regel.

BINDING · INSTITUTIES

Vraagtype 2: representativiteit beoordelen met gegevens

  • Je krijgt cijfers over vertegenwoordigers en over de bevolking en moet de overeenkomst beoordelen.

  • Vergelijk per kenmerk: komen de percentages ongeveer overeen?

  • Concludeer per kenmerk: wel of geen goede afspiegeling. Een kenmerk zegt niet alles.

Syllabus 15.2 en A1.2: relatieve getallen vergelijken. De gegevens in de vragen zijn verzonnen voorbeelden. Veelgemaakte fout: één kenmerk als bewijs voor de hele raad nemen, of alleen het aantal vertegenwoordigers noemen in plaats van percentages te vergelijken.

In een gemeente is 50% van de inwoners vrouw, in de raad 32%. Wat concludeer je?

A

Op sekse is de raad een getrouwe afspiegeling

B

Vrouwen zijn in de raad oververtegenwoordigd

C

Op sekse is de raad geen getrouwe afspiegeling

D

Hieruit blijkt niets over representativiteit

Goed: de percentages verschillen, dus op dit achtergrondkenmerk is de raad geen goede afspiegeling. Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd, niet oververtegenwoordigd. Wie 'niets' kiest, vergeet dat achtergrondkenmerken in de omschrijving van representativiteit staan.

Onder de 35 jaar: 40% van de inwoners, 20% van de raad. Welke conclusie klopt?

A

Jongeren zijn oververtegenwoordigd in de raad

B

Op leeftijd is de raad een perfecte afspiegeling

C

Jongeren zijn ondervertegenwoordigd in de raad

D

Leeftijd speelt geen rol bij representativiteit

Goed: 20% tegenover 40% betekent dat jongeren in de raad minder voorkomen dan in de bevolking. Verwachte fout: denken dat leeftijd geen achtergrondkenmerk is dat meetelt. Een raad kan wel jongerenbelangen vertegenwoordigen, maar dat blijkt niet uit deze gegevens.

BINDING · INSTITUTIES

Vraagtype 3: visies op representativiteit vergelijken

  • Je leest wat twee personen vinden en moet verklaren waarom hun oordeel verschilt.

  • Zoek de maatstaf van elke persoon: achtergrondkenmerken of standpunten en besluiten.

  • Verschillende maatstaven leiden tot een verschillend oordeel over dezelfde raad.

Syllabus eindterm 15: beredeneren hoe vanuit verschillende visies wordt geoordeeld over representativiteit binnen een specifieke context. Houd het neutraal: beide maatstaven zijn te verdedigen. Veelgemaakte fout: één van de maatstaven als de enige juiste zien.

Mo: 'Raadsleden moeten doen wat hun kiezers willen.' Welke maatstaf?

A

Overeenkomst tussen standpunten

B

Overeenkomst tussen achtergrondkenmerken

C

De hoogte van de opkomst bij verkiezingen

D

Het aantal partijen in de gemeenteraad

Goed: Mo kijkt naar de overeenkomst tussen de standpunten van vertegenwoordigers en kiezers. Verwachte fout: achtergrondkenmerken. Mo zegt niets over wie de raadsleden zijn, alleen over wat zij doen.

Waarom is afspiegeling alleen niet genoeg?

Goed antwoord: een vertegenwoordiger die lijkt op de kiezers kan toch standpunten innemen of besluiten nemen die niet overeenkomen met wat de groep wil. Representativiteit gaat ook over standpunten en besluiten. Verwachte fout: zeggen dat afspiegeling onbelangrijk is. Het is een van de maatstaven.

BINDING · INSTITUTIES

Vraagtype 4: het belang van representativiteit

  • Je moet beredeneren waarom representativiteit ertoe doet in een democratische rechtsstaat.

  • Gebruik de gedachte erachter: de belangen van het hele volk, ook van de minderheid, moeten gewaarborgd zijn.

  • Verwijs naar het politieke systeem: democratie met volkssoevereiniteit, of juist een dictatuur.

Syllabus 15.2 en eindterm 15. Veelgemaakte fout: alleen schrijven dat representativiteit 'eerlijk' is. Eis dat leerlingen de belangen van minderheden of het volk noemen, of het verschil met een dictatuur.

Waarom is representativiteit belangrijk in een democratie?

A

Alleen de grootste groep krijgt dan invloed

B

Alle vertegenwoordigers hebben dan dezelfde mening

C

Verkiezingen zijn dan niet meer nodig

D

Belangen van het volk, ook van minderheden, tellen mee

Goed: dat is de gedachte uit de syllabus. Verwachte fout: de eerste optie, omdat een democratie vaak met meerderheden werkt. Representativiteit gaat juist over ook de minderheid.

Telt afspiegeling in een dictatuur? Leg uit.

Goed antwoord: nee, in dictaturen wordt niet gelet op de vraag of vertegenwoordigers een goede afspiegeling zijn van de bevolking, want de politieke macht berust niet bij het volk. Verwachte fout: ja zeggen omdat er ook in een dictatuur vertegenwoordigers zijn.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Instituties en functies herkennen

2

Representativiteit beoordelen met gegevens

3

Visies op representativiteit vergelijken

4

Het belang van representativiteit uitleggen

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.

BINDING · INSTITUTIES

Tips voor op het examen

  • Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het begrip aan een gegeven uit de casus.

  • Bij cijfers: vergelijk percentages per kenmerk en trek daarna pas een conclusie.

  • Noem bij een oordeel over representativiteit welke maatstaf je gebruikt: achtergrondkenmerken, standpunten of besluiten.

  • Lees de vraag twee keer: moet je een begrip noemen, toepassen of beoordelen?

This item has no instructions

More lessons like this