Sparen en beleggen (Bedrijfseconomie vwo), les 3: Terugblik quiz

Het gebouw van Euronext Amsterdam aan het Beursplein, 2023 (foto: APK, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Quiz

Terugblik: Sparen en beleggen

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met een quiz van elf vragen over spaarvormen, vermogenstitels, risico, rendement en adviseren.

Items in this lesson

Het gebouw van Euronext Amsterdam aan het Beursplein, 2023 (foto: APK, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Quiz

Terugblik: Sparen en beleggen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: APK / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Welke hoort niet bij de vermogenstitels?

A

Een aandeel

B

Een deposito

C

Een obligatie

D

Een beleggingsfonds

Syllabus 11.2.11: de vermogenstitels waarin belegd kan worden noemen: aandelen, obligaties en beleggingsfondsen. Een deposito is een niet-vrij opneembare spaarvorm en heeft geen koers.

Wat is een nadeel van niet-vrij opneembaar spaargeld?

A

De interest is vaak lager dan bij vrij opneembaar

B

Je moet zelf elk jaar bijstorten

C

Je kunt niet bij je geld bij een onverwachte uitgave

D

Je loopt koersverlies op je spaargeld

Syllabus 11.2.10.

Zet op volgorde, van meestal laagste naar hoogste risico

1

Gespreid beleggingsfonds met aandelen

2

Vrij opneembare spaarrekening

3

Obligatie van een overheid

4

Eén aandeel van een klein bedrijf

Syllabus 11.2.12. Gebruikelijke volgorde: spaargeld laagst, daarna obligaties, dan een gespreid aandelenfonds, daarna één aandeel.

Vul in

Bij het beleggersrendement tel je de opbrengst en het koersresultaat op en deel je door het gemiddeld belegd vermogen in dat jaar.

opbrengst
koersresultaat
gemiddeld belegd vermogen
beginkapitaal
dividendrendement

Syllabus 11.2.12 en begrippen 32, Bijlage 4: beleggersrendement = (opbrengst + koersresultaat) : gemiddeld belegd vermogen x 100%. Verwachte fout: delen door het beginkapitaal of het koersresultaat vergeten.

Waardoor verandert de koers van een aandeel op de effectenbeurs?

A

Door vraag naar en aanbod van het aandeel

B

Doordat de beurs elke dag zelf de koers vaststelt

C

Doordat het bedrijf de koers elke dag vaststelt

D

Door de rente die de aandeelhouder ontvangt

Syllabus 11.2.11: begrip effectenbeurs. Op de beurs ontstaat de koers door vraag en aanbod; de beurs en het bedrijf stellen de koers niet zelf vast. Welke factoren vraag en aanbod beïnvloeden, hoort bij een ander onderwerp.

Fonds A had een beleggersrendement van 9%, fonds B van 4%. Wat is zeker?

A

A heeft minder risico dan B

B

Per belegde euro leverde A in dat jaar meer op dan B

C

A is voor elke belegger de betere keuze

D

A blijft ook volgend jaar meer opleveren dan B

Syllabus 11.2.12. Een rendement uit het verleden zegt niets over het risico of over de toekomst.

Wat is een nadeel van een beleggingsfonds?

A

Je kunt het risico niet spreiden

B

Je moet zelf alle titels kiezen

C

Je krijgt er nooit dividend of koerswinst van

D

Beheerkosten gaan van het rendement af

Syllabus 11.2.12.

Noem een nadeel van vrij opneembaar sparen.

Syllabus 11.2.10. Een goed antwoord noemt dat de interest vaak lager is en dat de bank die kan verlagen, of dat je het geld makkelijker uitgeeft. Verwachte fout: een nadeel van een deposito noemen, zoals dat je niet bij je geld kunt.

Rendement 6%, gemiddeld belegd € 20.000, dividend € 400. Koersresultaat?

A

€ 800

B

€ 1.200

C

€ 1.600

D

€ 400

Syllabus 11.2.12 en begrippen 32 (beleggersrendement), Bijlage 4. Uitwerking: totale opbrengst = 6% x 20.000 = 1.200; koersresultaat = 1.200 - 400 = € 800 koerswinst. € 1.200 is het totaal, € 1.600 is het dividend erbij opgeteld in plaats van afgetrokken, € 400 is alleen het dividend.

Wat is een goede onderbouwing van een advies aan een voorzichtige spaarder?

A

Kies aandelen, want het rendement is altijd het hoogst

B

Kies alleen op rendement, risico telt niet mee

C

Kies weinig risico, want de spaarder wil geen verlies lopen

D

Kies het product waar de adviseur het meest aan verdient

Syllabus 11.2.12: een advies noemt risico en rendement en past bij de klant.

Waarom verdwijnt het risico niet als je in een beleggingsfonds belegt?

A

Omdat een fonds altijd uit één bedrijf bestaat

B

Omdat het fonds zelf de koers vaststelt

C

Als de hele markt daalt, daalt het fonds mee

D

Omdat de beheerder het rendement garandeert

Syllabus 11.2.12. Spreiding verkleint het risico, maar de markt als geheel kan dalen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Goed gedaan!

Je kunt nu spaarvormen en vermogenstitels vergelijken op risico en rendement en een advies onderbouwen. Succes met het examen!

This item has no instructions