Kengetallen en rentabiliteit (Bedrijfseconomie vwo), les 3: Terugblik quiz

Fietsenwinkel, De Ruyterkade, Amsterdam, 2010 (foto: Fons Heijnsbroek, CC0)

EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN

Quiz

Terugblik: Kengetallen en rentabiliteit

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met een quiz van elf vragen over kengetallen, per-aandeelcijfers, hefboomformule, procentpunten en het perspectief van derden.

Items in this lesson

Fietsenwinkel, De Ruyterkade, Amsterdam, 2010 (foto: Fons Heijnsbroek, CC0)

EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN

Quiz

Terugblik: Kengetallen en rentabiliteit

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0

Vul in

De interestmarge is de RTV min de IVV; is die marge positief, dan werkt de hefboom gunstig voor de REV.

interestmarge
RTV
hefboom
REV
solvabiliteit

Syllabus begrippen 32: hefboomwerking en interestmarge. Veelgemaakte fout: de marge als percentage in plaats van procentpunt noemen.

Resultaat € 120.000, afschrijving € 50.000, 40.000 aandelen. Cashflow/aandeel?

A

€ 4,25

B

€ 3,00

C

€ 1,75

D

€ 1,25

Syllabus 32.2. Cashflow = 120.000 + 50.000 = 170.000; 170.000 : 40.000 = 4,25. Fout 3,00 is het resultaat per aandeel, 1,75 trekt de afschrijving af, 1,25 is alleen de afschrijving.

Het resultaat blijft gelijk, het resultaat per aandeel daalt. Wat is de oorzaak?

A

De afschrijving is gestegen

B

De beurskoers is gestegen

C

Het dividend is gedaald

D

Het aantal aandelen is gestegen

Syllabus 32.2. Resultaat per aandeel = resultaat : aantal aandelen; meer aandelen geeft een lagere uitkomst. De andere opties staan niet in de formule.

RTV 10%, IVV 6%, VV € 600.000 en EV € 300.000. REV voor belasting?

A

14%

B

18%

C

12%

D

16%

Hefboomformule (Bijlage 4). REV = 10 + (10 - 6) x 600.000 : 300.000 = 10 + 4 x 2 = 18%. Controle: resultaat + interest is 10% van 900.000 = 90.000, interest 6% van 600.000 = 36.000, resultaat 54.000; 54.000 : 300.000 = 18%. Fout 14% vergeet de factor VV : EV, 12% draait die om (EV : VV), 16% telt RTV en IVV op.

€ 90.000 resultaat, 15.000 aandelen. Per aandeel?

Syllabus 32.2. 90.000 : 15.000 = € 6,00 resultaat per aandeel.

Kort VV gelijk; current ratio van 2,0 naar 1,5, quick ratio blijft 1,0. Oorzaak?

A

De voorraad is afgenomen

B

De liquide middelen zijn afgenomen

C

De debiteuren zijn afgenomen

D

Het lang vreemd vermogen is afgenomen

Syllabus 32.2 en 32.4. Bij gelijk kort VV (K): current 2,0 betekent vlottend 2K, quick 1,0 betekent vlottend min voorraad K, dus voorraad K. Daarna is vlottend 1,5K en voorraad 0,5K: alleen de voorraad daalde. Daalden liquide middelen of debiteuren, dan daalde ook de quick ratio.

Vul in

Het beleggersrendement telt het dividend én het koersresultaat mee, het dividendrendement alleen het dividend per aandeel.

beleggersrendement
koersresultaat
dividend
REV
cashflow

Syllabus begrippen 32. Veelgemaakte fout: koerswinst bij het dividendrendement meetellen.

De REV daalt van 12% naar 9%. Welke uitspraak klopt?

A

Een daling van 3%, ofwel 25 procentpunt

B

Een daling van 3 procentpunt, ofwel 33%

C

Een daling van 3 procentpunt, ofwel 25%

D

Een daling van 25 procentpunt

Syllabus 32.4. 12 - 9 = 3 procentpunt; 3 : 12 = 25%. Fout 33% deelt door 9 in plaats van door 12.

Welk voordeel hebben kengetallen voor een bank die twee bv's vergelijkt?

A

Ze zeggen ook wat de oorzaak van het verschil is

B

Het verschil in omvang speelt minder mee

C

Ze bevatten ook de niet-financiële informatie

D

Ze zijn niet afhankelijk van de waardering

Syllabus 32.3. Een ratio of percentage maakt grote en kleine bedrijven vergelijkbaar. De afleiders zijn juist nadelen van kengetallen.

Koers stijgt sterk, dividend blijft gelijk. Wat doet het dividendrendement?

A

Het stijgt: de koers staat in de teller

B

Het blijft gelijk: het dividend verandert niet

C

Het stijgt: het beleggersrendement stijgt

D

Het daalt: de koers staat in de noemer

Syllabus begrippen 32. Dividendrendement = dividend : gemiddelde koers. Een hogere noemer geeft een lagere uitkomst. Het beleggersrendement stijgt wel, maar dat is een ander kengetal.

Quick ratio 0,5: wat betekent dat voor een bank?

Syllabus 32.2 en 32.4. De bv kan met haar vlottende activa zonder voorraad maar de helft van haar korte schulden betalen: een liquiditeitsrisico. Een goed antwoord noemt ook dat de bank dan extra zekerheid of een lagere lening kan eisen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN

Goed gedaan!

Je kunt nu liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit berekenen en de ontwikkeling over twee jaar beoordelen vanuit een bank, belegger of investeerder.

This item has no instructions