H1 Kiezen

H1 Kiezen
1.1 Kiezen en ruilen
1 / 48
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

H1 Kiezen
1.1 Kiezen en ruilen

Slide 1 - Slide

1.1 Kiezen en ruilen
  • Ik kan de relatie tussen consumentenvertrouwen, bestedingen en werkloosheid uitleggen.

Slide 2 - Slide

Tim en zijn vriendin hebben beide een goedbetaalde vaste baan. Ze krijgen binnenkort een kindje. Ze dromen van een groter huis. Wat doen ze?
A
Ze kopen een nieuw huis
B
Ze stellen hun aankoop uit.

Slide 3 - Quiz

Jan werkt al heel zijn leven bij een groot bedrijf. Binnenkort is er een reorganisatie in zijn afdeling. Hij weet niet of hij straks nog een baan heeft.
Jan droomt van een nieuwe auto. Wat doet hij?
A
Hij koopt de auto
B
Hij stelt zijn aankoop uit.

Slide 4 - Quiz

Jan is 68 en maakt zich zorgen of hij toekomt met zijn pensioen.
Hij droomt van een nieuwe auto. Wat doet hij naar alle waarschijnlijkheid?
A
Hij koopt de auto.
B
Hij stelt zijn aankoop uit.

Slide 5 - Quiz

H1 KIEZEN
Consumentenvertrouwen
  • Vertrouwen consumenten erop dat ze geld genoeg hebben om producten te kunnen kopen.
  • Als het vertrouwen er is spreken we van een hoog consumentenvertrouwen.
  • Als het er niet is van een laag.
    - Ben je bang dat je werkloos wordt.
    - Ben je bang dat je niet toekomt met je inkomen.



Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

1.1 KIEZEN
ECB
  • De ECB zorgt voor de geldomloop in de eurozone.
  • Zij is verantwoordelijk voor het vertrouwen de euro.
  • Met haar rentebeleid streeft ze naar een inflatie van ongeveer 2%.



Slide 8 - Slide

1.1 KIEZEN
ECB houdt inflatie laag

Slide 9 - Slide

1.1 KIEZEN
Huiswerk
  • Lezen lesbrief.
  • Bekijken presentatie.
  • Maken opdracht 1.1 tot en met opdracht 1.05.

Slide 10 - Slide

H1 Kiezen
1.1 Kiezen en ruilen

Slide 11 - Slide

1.1 Kiezen en ruilen
  • Ik kan uitleggen waarom deflatie niet goed is voor de economie.

Slide 12 - Slide

Wat is inflatie?
A
Stijging van de prijzen
B
Daling van de prijzen
C
Stijging van de koopkracht
D
Het geld wordt meer waard

Slide 13 - Quiz

Door de inflatie kan ik ...
A
meer besteden.
B
minder besteden.

Slide 14 - Quiz

Hoe zat dat ook al weer met inflatie? Door inflatie kan je...
A
meer besteden, daardoor wordt koopkracht meer
B
minder besteden, daardoor wordt koopkracht minder
C
Meer besteden, daardoor wordt koopkracht minder
D
Minder besteden, daardoor wordt koopkracht meer

Slide 15 - Quiz

Beredeneer. Bij deflatie stellen consumenten de aankoop van een product uit. Waarom zou dit zijn?

Slide 16 - Open question

1.1 KIEZEN EN RUILEN
Inflatie versus deflatie
Inflatie: stijging van het algemeen prijspeil.
  • De producten worden duurder.
  • Je kunt minder kopen met je geld.
  • Je koopkracht gaat omlaag.

Deflatie: daling van het algemeen prijspeil
  • De producten worden goedkoper etc.
  • Consumenten stellen de aankoop van producten uit (wordt prijs nog lager?)



Slide 17 - Slide

Europa was lang afhankelijk van Russisch gas. Door de oorlog in Oekraïne is de aanvoer van Russisch gas sterk afgenomen.
Wat is het gevolg voor de gasprijs?
A
stijgt
B
daalt
C
blijft gelijk

Slide 18 - Quiz

Oktober was de warmste oktobermaand in tijden. De verwarming bleef bij vele gezinnen uit.

Wat is het gevolg voor de gasprijs?
A
stijgt
B
daalt
C
blijft gelijk

Slide 19 - Quiz

De winter komt eraan.
Wat is het gevolg voor de gasprijs?
A
stijgt
B
daalt
C
blijft gelijk

Slide 20 - Quiz

De VS en Noorwegen gaan extra gas aanbieden aan Europa.
Wat is het gevolg voor de gasprijs?
A
stijgt
B
daalt
C
blijft gelijk

Slide 21 - Quiz

1.1 KIEZEN EN RUILEN
Vraag en aanbod
  • De vraag naar producten en het aanbod ervan bepalen de prijs.
  • Als er weinig aanbod is en veel vraag zal de prijs stijgen.




Slide 22 - Slide

1.1 KIEZEN EN RUILEN
Thomas Piketty
  • Franse econoom.
  • Schreef in 2014 het boek Capital in the twenty-first century
  • Gaat over toenemende ongelijkheid:
      opbrengsten uit kapitaal (rente, huur, winst) nemen harder toe dan opbrengsten uit arbeid.




Slide 23 - Slide

1.1 KIEZEN EN RUILEN
Huiswerk
  • Lezen lesbrief
  • Bekijken PowerPoint
  • Bestuderen fouten vorig huiswerk
  • Maken 1.06 tem 1.11

Slide 24 - Slide

1.2 Economie gaat over kiezen en ruilen

  • Ik kan het verschil tussen schaarste en vrije goederen uitleggen.
  • Ik kan het verschil tussen consumeren en investeren uitleggen.
  • Ik kan de spanning verklaren tussen behoefte en beperkte middelen.
  • Ik kan met behulp van opofferingskosten uitleggen dat economie over kiezen gaat.

Slide 25 - Slide

Een ander woord voor keuzes maken noemen we?
A
Schaarste
B
Prioriteiten stellen
C
Behoeftes
D
Consumeren

Slide 26 - Quiz

Wat is de beste omschrijving van schaarste
A
Schaarse producten zijn zeldzaam.
B
Door schaarste kunnen mensen bijna niks kopen
C
Door beperkte middelen ontstaat schaarste.
D
Schaarste ontstaat doordat mensen te weinig willen kopen.

Slide 27 - Quiz

Je gaat naar de schoonheidsspecialist.

Is hier sprake van een goed of dienst?
A
goed
B
dienst

Slide 28 - Quiz

Is Youtube een goed of een dienst?
A
goed
B
dienst

Slide 29 - Quiz

Een hamer is een...
A
gebruiksgoed
B
verbruiksgoed

Slide 30 - Quiz

1.2 ECONOMIE GAAT OVER KIEZEN
Keuzes maken
Economie gaat over kiezen.

  • We hebben beperkte middelen (tijd en geld) en kunnen niet alles kopen wat we willen.
  • Hoe groter de behoefte aan het product hoe meer ervoor gekozen wordt.




Slide 31 - Slide

1.2 ECONOMIE GAAT OVER KIEZEN
Consumeren
  • Consumeren: Producten aanschaffen door de eindgebruiker.
      1. Goederen (stoffelijk): Gebruiks- of verbruiksgoederen
      2. Diensten (niet-stoffelijk)
  • Investeren:
      1. producten kopen om eventueel te bewerken tot een nieuw product en door te verkopen.
      2. de aanschaf van kapitaalgoederen door bedrijven.

Slide 32 - Slide

Ik wil een glas water van de kraan drinken.

Drinkwater is een...
A
schaars goed
B
vrij goed

Slide 33 - Quiz

Ik wil varen met een boot in de zee.

De zee is een...
A
schaars goed
B
vrij goed

Slide 34 - Quiz

Ik wil varen met een boot in de zee.

De boot is een...
A
schaars goed
B
vrij goed

Slide 35 - Quiz

Met een telefoon kan je bellen. Wat kan je er nog mee doen?

Slide 36 - Open question

1.2 ECONOMIE GAAT OVER KIEZEN
Schaarste
Relatieve schaarste (bij het vak economie)
  • Ontstaat door beperkte middelen (geld en/of tijd) en veel behoeften
  • Er zijn middelen nodig om te produceren. 
  • Wind, zeewater, zonlicht,... zijn vrije goederen.
Je kan je middelen verschillend inzetten. Geld en tijd zijn dus alternatief aanwendbaar.

Bij absolute schaarste bedoelen we dat er weinig van een product is.

Slide 37 - Slide

Je staat voor een verscheurende keuze:

Leer ik 3 uur voor mijn toets economie of ga ik vakken vullen voor € 6,00 per uur.
Stel dat je toch besluit om te gaan leren, hoeveel geld laat je dan liggen?

Slide 38 - Open question

1.2 ECONOMIE GAAT OVER KIEZEN
Opofferingskosten
Opofferingskosten 
  • De waarde van datgeen wat we opofferen om iets te verkrijgen.
  • De gederfde opbrengsten van de andere keuze.

Voorbeeld
  • Je verdient € 5 per uur.
  • Ga je 3 uur werken of voor een proefwerk leren?
  • Je kiest om te leren, de opofferingskosten zijn dan 15 euro.


Slide 39 - Slide

1.2 ECONOMIE GAAT OVER KIEZEN
Huiswerk
  • Lezen lesbrief
  • Bekijken PowerPoint
  • Bestuderen fouten vorig huiswerk
  • Maken 1.12 tem 1.18

Slide 40 - Slide

H1 Kiezen
1.3 BUDGETLIJN

Slide 41 - Slide

1.3 Budgetlijn
  • Ik kan een budgetlijn over de keuze tussen inkomen en vrije tijd interpreteren.
  • Ik kan een vergelijking van vrije tijd en inkomen met een budgetlijn tekenen in een grafiek.
  • Ik kan de opofferingskosten van vrije tijd berekenen.

Slide 42 - Slide

1.3 BUDGETLIJN
Budgetlijn
Een budgetlijn laat zien hoeveel je van elk product kan
kopen met een gegeven inkomen en gegeven prijzen.



Budgetset
Hier staan alle mogelijke keuzes met je budget.
Budgetlijn
Grens van je budget

Slide 43 - Slide

1.3 BUDGETLIJN
Tekenen budgetlijn

Slide 44 - Slide

1.3 BUDGETLIJN
Verschuiving budgetlijn
Een budgetlijn...
  • Verschuift naar beneden als budget afneemt.
  • Verandert van hoek bij prijswijziging van product.

Slide 45 - Slide

1.3 BUDGETLIJN
Koopkracht van het budget
Nominaal = wat is de waarde in geld uitgedrukt.
Reëel = wat kan ik er van kopen, de koopkracht.







Reëel = 
             nominaal                
verandering van de prijs

Slide 46 - Slide

1.3 Budgetlijn
Huiswerk
  • Lezen lesbrief
  • Bekijken PowerPoint
  • Bestuderen fouten vorig huiswerk
  • Maken 1.21 tem 1.26

Slide 47 - Slide

1.5 Zelftest
Huiswerk
  • Lezen lesbrief
  • Bekijken PowerPoint
  • Bestuderen fouten vorig huiswerk
  • Maken zelftest 1.31 tem 1.35

Slide 48 - Slide