Wiskunde 9.2 Breuken en procenten(1) 25 Mei

Wiskunde hfd 9.2
Breuken en procenten
1 / 27
next
Slide 1: Slide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Wiskunde hfd 9.2
Breuken en procenten

Slide 1 - Slide

breuken en procenten in deze les:
  1. wordt er kort herhaald wat breuken zijn;
  2. wordt er kennis gemaakt met procenten;
  3. wordt er geoefend met het rekenen breuken en procenten;
  4. leer je hoe je breuken moet omrekenen naar procenten;
  5. Ga je zelfstandig oefenen met het omrekenen;
  6. Ga je de belangrijkste breuken/procenten uit jehoofd leren.

Slide 2 - Slide

Je gaat:
  1. herhalen wat we al weten;
  2. Naar een aantal video's kijken;
  3. de theorie lezen;
  4. Zelfstandig werken;
  5. Quizvragen beantwoorden.

Slide 3 - Slide


A
6
B
8
C
10
D
12

Slide 4 - Quiz


A
één tweede
B
vier achtste
C
drie tiende
D
vijf twaalfde

Slide 5 - Quiz


welke som is staat
hier eigenlijk?
A
30 : 10 = 3
B
30 : 5 = 6
C
5 : 30 = 0,16666
D
30 : 1 = 30

Slide 6 - Quiz

In hoeveel stukken is de
verdeeld?
A
in 4 stukken
B
in 3 stukken
C
in 2 stukken
D
niet verdeeld

Slide 7 - Quiz

Bekijk je plaatje goed en beantwoord de volgende vragen.

Slide 8 - Slide

wat is de goede berekening?

A
40 : 5 x 3 =
B
40 : 5 : 3=

Slide 9 - Quiz

welke berekening is goed?
A
15 : 5 x 2 =
B
15 : 5 : 2=

Slide 10 - Quiz

hierna volgen twee video's
Bekijk de eerste video HELEMAAL en de tweede tot 08.00 minuten

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Slide 13 - Video

Breuken en procenten omrekenen
Leer dit rijtje uit je hoofd!!!

Slide 14 - Slide

Van breuken naar procenten omrekenen

Slide 15 - Slide

omrekenen van breuken naar procenten

Slide 16 - Slide

Er volgen een aantal quizvragen.

Slide 17 - Slide

René wil deze laarsjes kopen.
Hoeveel kosten de laarsjes
ZONDER de korting?
A
€40,00
B
€80,00

Slide 18 - Quiz

Wat betekent het als René korting
krijgt?
A
ze moet meer betalen dan €80,00
B
Ze moet minder betalen dan €80,00

Slide 19 - Quiz

Korting betekent dus....
A
minder betalen
B
meer betalen

Slide 20 - Quiz

Hoeveel % korting krijgt René als zij
de laarsjes koopt?
A
€80,00
B
40%

Slide 21 - Quiz

Lies zegt tegen René:
"De laarsjes kosten maar de helft ".
Heeft Lies gelijk?
A
Ja
B
Nee

Slide 22 - Quiz

Moet René meer of minder dan de
helft betalen?
A
meer
B
minder

Slide 23 - Quiz

Hoeveel € korting krijgt René?
A
10 % = € 8,00, dus 40% is 4 x8 ,00 is €32,00
B
ze krijgt minder dan de helft korting dus €39,00

Slide 24 - Quiz

Hoeveel moet René betalen voor
de laarsjes?
A
€48,00 40% = 32 dus €80,00 - €32,00 = €48,00
B
minder dan de helft is 39,00 dus €80,00 - €39 =€41,00

Slide 25 - Quiz

Zelfstandig werken
Ga naar Magister, Getal & Ruimte, hoofdstuk 9.2 en maak 
de opdrachten 28 tot en met 36.
Bij som 36 ga je eerst alle breuken omzetten naar %

Slide 26 - Slide

tot morgen!!

Slide 27 - Slide