Toets 2 grammatica

What are we going to do today?
- Grammar revision 
- Practice grammar
- Done? Language Portfolio
1 / 26
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

What are we going to do today?
- Grammar revision 
- Practice grammar
- Done? Language Portfolio

Slide 1 - Slide

Past Simple + Past Continuous
Past Simple = de normale verleden tijd en gebruik je voor gebeurtenissen in het verleden die al afgesloten zijn.

Bij regelmatige werkwoorden komt er - ed achter. 
I walk - I walked 
You help - You helped

Slide 2 - Slide

Bij onregelmatige werkwoorden gebruik je de 2de vorm van het rijtje. 

tt                                     vt                                       vtt 
do                                   did                                     done 

did = de past simple

Slide 3 - Slide

Zet in de VT:
I walk home.

Slide 4 - Open question

Zet in de VT:
She comes here every Friday.

Slide 5 - Open question

Zet in de VT:
I do that every week.

Slide 6 - Open question

Past Continuous is de duurvorm in de verleden tijd. 
Die maak je door: was/were + hele werkwoord + ing

Zij was aan het lopen - She  was walking 




Slide 7 - Slide

Zet in de PC:
I ........ (to walk) home

Slide 8 - Open question

Zet in de PC:
Toms younger brother ..... (to cry) hard.

Slide 9 - Open question

Zet in de PC:
They ....... (to have) a bad night.

Slide 10 - Open question

Past Continuous + Past Simple
De Past Simple gebruik je in de verleden om te vertellen dat iets gebeurd is. --> I walked home. 

De Past Continuous gebruik je in de verleden tijd om aan te geven dat iets in het verleden een tijdje aan de gang was. 
--> I was walking  home. 

Je maakt de Past Continuous door: was/were + hele ww + ing
was voor: I, he/she/it. & were voor: de rest. 

Slide 11 - Slide

Past Simple & Past Continuous
Je gebruikt de Past Simple & de Past Continuous samen als we spreken over een langere actie (past continuous) die onderbroken wordt door een kortere actie (past simple) 

--> I was studying when my mom walked in. 
Het studeren (was studying) was langer aan de gang en werd onderbroken  door de moeder die binnen kwam (walked in). 

Slide 12 - Slide

Past Simple & Past Continuous
In de zin: I was studying when my mom walked in. 
Is when een key woord --> na when komt de KORTE actie. (Past Simple) 

In de zin: My mom walked in while I was studying. 
Is while een key woord --> na while komt de LANGE actie (Past Continuous) 

Slide 13 - Slide

He ........ (to wait) for a friend to arrive, when I called him.
A
was waiting
B
waited

Slide 14 - Quiz

They .......... (to have) dinner while their son was sleeping.
A
were having
B
had

Slide 15 - Quiz

She .............. (to get) a text message when she hit the other car
A
was getting
B
got

Slide 16 - Quiz

Prepositions of time and place
Je gebruikt de prepositions of time and place om aan te geven wanneer/waar iets gebeurd. 

Prepositions = voorzetsel. 

In het Engels hebben we er 3: 
in, on & at. 

Slide 17 - Slide

Prepositions of time: 
You use on with days and dates: (on bij dagen & data) 
- We play soccer on Saturday. 
- I was born on the 15th of May. 

You use in with months, years, seasons and specific parts of the day. (in bij maanden, jaren, seizoenen en dagdelen)
- I woke up in the morning. 
- I was born in May 


Slide 18 - Slide

Prepositions of time: 
You use at with times and holidays. (at bij tijden & feestdagen) 
- School starts at 08:15. 
- I see my aunt and uncle at Christmas. 

Prepositions of place: 
You use on with public transport and when you mean ‘on top of’. (On bij OV & als je op iets bedoelt) 
- I was on the bus 
- My phone is on the table 


Slide 19 - Slide

Prepositions of place
You use in with places in nature, countries and when you mean ‘inside’. (In bij de natuur, landen & als je in iets bedoelt) 
- We walked in a forest. 
- I live in The Netherlands. 

You use at with specific locations, house numbers, and (names of) buildings.(at bij specifieke locaties, huis nummers & (namen van) gebouwen). 
- I am at the dentist. 
- I am at the station


Slide 20 - Slide

We sat ........ the train for 2 hours.
A
in
B
on
C
at

Slide 21 - Quiz

They told us to meet them ............. her house.
A
in
B
on
C
at

Slide 22 - Quiz

She was born ......... December
A
in
B
on
C
at

Slide 23 - Quiz

My brother was born .......... the hospital
A
in
B
on
C
at

Slide 24 - Quiz

I always feel great ...... the morning
A
in
B
on
C
at

Slide 25 - Quiz

Let's go!
Let's work on your Language Portfolio. 

Slide 26 - Slide