SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Suboptimale situaties
Examenstof economie vwo
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Suboptimale situaties
Examenstof economie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: F1.7-1.9, F1.11, F1.12, F2.1-2.4. Image credit: Dietmar Rabich / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Wat ga je kunnen?
Ik kan met pay-offs uitleggen hoe zelfbinding, normen, reputatie, beroving, meeliften en externe effecten de uitkomst van een spel veranderen.
This item has no instructions
Welke woorden komen bij je op bij: je vooraf vastleggen, ook al lijkt dat nadelig?
Verwacht: belofte, contract, garantie, vertrouwen, reputatie, flexibiliteit, dwang. Groepeer rond de vraag waarom iemand zichzelf bewust minder keuzes geeft. In deze les gebruik je pay-offs en spelbomen uit de les speltheorie (matrix, Nash-evenwicht, dominante strategie, simultaan en sequentieel spel, herhaald spel) en werk je uit hoe binding, normen en reputatie het spel veranderen en waar de uitkomst suboptimaal blijft.
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Prijsgarantie als zelfbinding: spelboom
Zelfbinding
Zelfbinding: je legt jezelf vooraf vast, zodat je je eigen dominante strategie niet meer kunt kiezen.
Supermarkten A en B kiezen een hoge of lage prijs: laag is dominant, het Nash-evenwicht is 3 en 3.
A geeft een prijsgarantie: A volgt elke lagere prijs van B. Onderbieden levert B nu niets meer op.
A geeft de pay-off 8 uit onderbieden op, maar B kiest hoog en beide supermarkten krijgen 6.
Syllabus F1.7. Zonder garantie: matrix (A, B) hoog-hoog 6 en 6, A hoog en B laag 1 en 8, A laag en B hoog 8 en 1, laag-laag 3 en 3. Laag is voor beiden dominant (8 is meer dan 6 en 3 is meer dan 1), dus het Nash-evenwicht is laag-laag met 3 en 3: een gevangenendilemma. Spelboom: A kiest eerst garantie of geen garantie. Met garantie volgt A elke lagere prijs: kiest B laag, dan wordt het 3 en 3; kiest B hoog, dan 6 en 6. B kiest hoog (6 is meer dan 3), dus A krijgt 6 in plaats van 3. A kan niet meer onderbieden: de pay-off 8 van die keuze vervalt, en juist daardoor verandert de keuze van B. Veelgemaakte fout: zelfbinding zien als een afspraak tussen A en B of als een kartel; bij zelfbinding leg je alleen jezelf vast. Ook: denken dat A beter af is met meer keuzes; in een spel kan minder keuze meer opleveren. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Afwassen met en zonder sociale norm
Sociale normen
Een sociale norm is een ongeschreven regel over wat hoort. Wie hem overtreedt, voelt schaamte.
Huisgenoten A en B: zonder norm is niet afwassen dominant en is het Nash-evenwicht 2 en 2.
Met een norm gaat er schaamte van 3 af van de pay-off bij niet afwassen.
Nu is afwassen dominant: 4 en 4. De norm verandert de pay-offs en daarmee de keuze.
Syllabus F1.8. Zonder norm: afwassen-afwassen 4 en 4, A wast af en B niet 1 en 6, A niet en B wel 6 en 1, beide niet 2 en 2. Niet afwassen is dominant (6 is meer dan 4, 2 is meer dan 1), evenwicht 2 en 2. Met schaamte 3 gaat er 3 af bij de speler die niet afwast: 1 en 3, 3 en 1, en -1 en -1. Voor A: wast B af, dan 4 tegen 3; wast B niet af, dan 1 tegen -1. Afwassen is dominant, evenwicht 4 en 4. Veelgemaakte fout: de schaamte ook aftrekken bij de speler die wel afwast, of denken dat de norm het spel verandert in plaats van de pay-offs. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Toetreding met en zonder extra capaciteit
Geloofwaardige dreiging
Gevestigde keten G dreigt met een prijzenoorlog als nieuwe keten N toetreedt.
Zonder binding geeft delen G 6 en een prijzenoorlog 2: de dreiging is niet geloofwaardig, N treedt toe.
Een geloofwaardige dreiging wordt uitgevoerd, omdat uitvoeren de dreiger zelf het meeste oplevert.
Extra capaciteit kost G 3 (verzonken). Nu levert oorlog 4 tegen 3 voor delen: N blijft weg, G krijgt 7.
Syllabus F1.11 en F1.7. Zonder binding (spelboom, N eerst): na toetreden kiest G delen (6 is meer dan 2), dus N krijgt 4 bij toetreden tegen 0 en treedt toe: 4 en 6. Met extra capaciteit zijn de pay-offs van G 3 lager (kosten 3, verzonken). Een prijzenoorlog is met veel capaciteit voordeliger (brutowinst 7, netto 4), delen geeft 6 min 3 is 3. G kiest nu oorlog, N verwacht -2 en blijft weg (0 is meer dan -2). G krijgt 7, meer dan de 6 zonder binding, hoewel de pay-off van delen lager is geworden (3 in plaats van 6). De zelfbinding zit in de investering die niet terug te draaien is. Veelgemaakte fout: denken dat dreigen genoeg is; de dreiging werkt alleen als uitvoeren loont. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
Vul in
Met een sociale norm gaat er schaamte van de pay-off af, waardoor afwassen een dominante strategie wordt.
Sociale norm, pay-off en afwassen. Verwachte fout: reputatie, want ook die verandert pay-offs; reputatie komt uit eerdere rondes van het spel, een norm uit ongeschreven regels.
G kan na toetreding een prijzenoorlog (pay-off 5) of delen (pay-off 4) kiezen. Is de dreiging geloofwaardig?
Ja, want een prijzenoorlog levert G meer op dan delen
Nee, want delen is voor beide ketens beter
Nee, want een prijzenoorlog schaadt ook de nieuwe keten
Ja, want G kan zich altijd vastleggen op een prijs
Een dreiging is geloofwaardig als uitvoeren de dreiger zelf het meeste oplevert: 5 is meer dan 4. Verwachte fout: kijken naar de schade voor de ander in plaats van naar de eigen pay-off.
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Kopen en leveren met en zonder reputatie
Reputatie
Een reputatie is het beeld van jou door je gedrag in eerdere rondes van een herhaald spel.
Koper K kiest kopen of niet kopen, verkoper V levert goed of slecht. Slecht leveren geeft V 6 tegen 4.
Zonder reputatie koopt K niet: 0 en 0. Met reputatiekosten van 5 (toekomstige klanten) wordt slecht leveren 1.
Nu kiest V goed leveren en K koopt: beide 4. Reputatie verandert de pay-offs over de tijd.
Syllabus F1.9. Zonder reputatie (K eerst): als K koopt, kiest V slecht (6 is meer dan 4) en K krijgt -2. K koopt dus niet en beide krijgen 0. Met reputatiekosten van 5 wordt de pay-off van slecht leveren 6 min 5 is 1, dus V kiest goed (4 is meer dan 1) en K koopt: 4 en 4. De reputatiekosten zijn de verwachte verloren opbrengsten uit toekomstige rondes. Het werkt in een herhaald spel waarin de partijen elkaar blijven tegenkomen; is het duidelijk dat het spel eindigt, dan verdwijnt de dreiging van toekomstige straf in de laatste ronde. Veelgemaakte fout: reputatie zien als een extra spelregel; het is een verandering van de pay-offs. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Cao-onderhandelingen in de metaal, Zoetermeer (1982)
Binding en flexibiliteit
Bij langdurige relaties kies je tussen binding (vaste afspraken) en flexibiliteit (ruimte).
Binding geeft zekerheid en vertrouwen: partijen durven te investeren, bijvoorbeeld door een vast contract.
Flexibiliteit laat je inspelen op nieuwe omstandigheden, maar de ander kan ook afhaken of afwijken.
Hoe groter de kans dat omstandigheden veranderen, hoe meer flexibiliteit waard is.
Syllabus F1.12. Er is een afruil (trade-off): meer binding betekent meer zekerheid maar minder ruimte; meer flexibiliteit betekent meer ruimte maar minder zekerheid. Er is geen beste keuze voor alle situaties; het hangt af van hoe onzeker de toekomst is en hoeveel de partijen moeten investeren. Veelgemaakte fout: binding altijd goed of altijd slecht noemen. Image credit: Rob Croes / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Containerterminal op de Maasvlakte bij Rotterdam
Binding in de praktijk
Arbeidsrelatie: een vast contract bindt beide partijen, een flexcontract geeft de werkgever ruimte bij krimp.
Kartelafspraak: een boetebeding houdt leden aan de afspraak, maar legt hen vast als de markt verandert.
Internationale handel: een handelsverdrag legt invoerheffingen vast, maar beperkt steun aan eigen sectoren.
Steeds geldt: meer binding is meer geloofwaardigheid en vertrouwen, minder flexibiliteit.
Syllabus F1.12 (arbeidsrelaties, kartelafspraken, internationale handel). Een kartel is in Nederland en de EU verboden, maar economisch is het een goed voorbeeld: de leden zitten in een gevangenendilemma en een boetebeding is een vorm van binding die afwijken minder aantrekkelijk maakt. Bij handelsverdragen beloven landen bepaalde invoerheffingen niet te verhogen; dat geeft exporteurs zekerheid, maar het land kan een crisissector minder makkelijk beschermen. Veelgemaakte fout: denken dat binding alleen voordeel voor de zwakste partij oplevert. Image credit: Spielvogel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Zet op volgorde: hoe reputatie het spel verandert
De volgorde volgt de redenering van de slide Reputatie. Verwachte fout: de pay-off 1 vooraan zetten; die volgt pas uit de reputatiekosten.
Een bakker sluit een contract van 5 jaar met zijn meelleverancier. Wat is een nadeel?
De leverancier durft niet meer te investeren
Hij heeft minder zekerheid over de levering
Hij kan niet overstappen als de meelprijs daalt
De prijs van het meel is voor beide onzeker
Binding geeft zekerheid maar kost flexibiliteit. Verwachte fout: de afruil omdraaien en zekerheid als nadeel noemen.
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Berovingsprobleem tussen leverancier en autofabrikant
Berovingsprobleem
Verzonken kosten zijn al gemaakt en niet terug te draaien: de investering is specifiek voor één partner.
L koopt een speciale machine voor B (kosten 4). Daarna drukt B de prijs: L krijgt -2, B 16.
L voorziet dat en investeert niet: 0 en 0, terwijl nakomen 6 en 8 had gegeven.
Dit is het berovingsprobleem. Oplossing: een langlopend contract of overname.
Syllabus F2.1. Spelboom: L kiest eerst. Investeren kost 4, de brutoopbrengst is 10 bij de afgesproken prijs (netto 6) en 2 als B de prijs drukt (netto -2). B wint dan 8 extra: 16 in plaats van 8. B kiest prijs drukken (16 is meer dan 8), dus investeren geeft L -2 en niet investeren 0. L investeert niet: 0 en 0, suboptimaal ten opzichte van 6 en 8. Het probleem ontstaat doordat de kosten verzonken zijn: L kan de machine niet elders inzetten. Een langlopend contract (binding) of overname door B lost het op, ten koste van flexibiliteit. Veelgemaakte fout: denken dat B 'onbetrouwbaar' is; B volgt gewoon zijn eigen pay-off. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Beveiliging van een bedrijventerrein
Collectieve goederen en meeliften
Een collectief goed gebruik je samen en niemand is uit te sluiten, zoals beveiliging van een terrein.
Bijdragen kost 6 en levert elk bedrijf 5 op: voor jezelf loont bijdragen niet.
Niet bijdragen is dominant: meeliftersgedrag. Het Nash-evenwicht 0 en 0 is suboptimaal.
Het individuele belang botst met het collectieve belang: beide bijdragen geeft 4 en 4.
Syllabus F2.2 en F2.3. Elke bijdrage kost 6 en levert beide bedrijven 5 op (10 samen). Beide bijdragen: 10 + 10 - 12 is 8 samen, elk 4. Alleen A draagt bij: A 5 - 6 is -1, B 5. Niemand: 0 en 0. Voor A: draagt B bij, dan niet bijdragen 5 tegen 4; draagt B niet bij, dan 0 tegen -1. Niet bijdragen is dominant, dus 0 en 0, terwijl 4 en 4 voor beiden beter is. Suboptimaal betekent hier: er is een uitkomst waarin beide spelers beter af zijn. Veelgemaakte fout: denken dat bedrijven wel bijdragen omdat 4 en 4 beter is; zonder aanpassing van de pay-offs is dat geen evenwicht. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Een fabriek met rook: vervuiling is een negatief extern effect
Externe effecten en internaliseren
Een extern effect is een gevolg van jouw keuze voor anderen dat niet in jouw eigen kosten of opbrengst zit.
Fabriek: lozen levert 10, zuiveren 7. Lozen veroorzaakt 5 schade voor buren: een negatief extern effect.
Internaliseren: de veroorzaker draagt het effect zelf, bijvoorbeeld met een heffing van 5 op lozen.
Dan levert lozen 5 en zuiveren 7: de fabriek zuivert. Bij een positief extern effect past een subsidie.
Syllabus F2.4. Voor de fabriek is lozen beter (10 tegen 7), maar voor de samenleving niet: lozen geeft 10 min 5 schade is 5, zuiveren 7. Een heffing gelijk aan de schade (5) internaliseert het effect: de fabriek neemt de schade mee in zijn keuze en zuivert. Bij een positief extern effect, zoals een imker wiens bijen een appelboer helpen, internaliseer je met een subsidie gelijk aan het voordeel van de ander. Internaliseren kan ook door partijen samen te voegen of een afspraak te maken. Veelgemaakte fout: denken dat een extern effect altijd schade is; positieve externe effecten bestaan ook en leiden tot te weinig van het goede. Image credit: Thomas Berg / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
Waardoor ontstaat een berovingsprobleem?
De investering is te hoog voor de investeerder
Beide partijen hebben een dominante strategie
De investering is specifiek en de kosten zijn verzonken
De ene partij kent de prijs van de ander niet
Zonder verzonken kosten kan de investeerder de investering elders gebruiken en kan de ander hem niet beroven. Verwachte fout: asymmetrische informatie noemen; dat is een ander probleem (domein G).
Vul in
Bij een collectief goed wint het individuele belang van het collectieve belang zodra niet bijdragen een dominante strategie is.
Collectief goed, individuele belang, collectieve belang. Verwachte fout: meeliftersgedrag invullen; dat is het gedrag zelf, geen belang.
Welk onderdeel was voor jou het lastigst?
Zelfbinding en geloofwaardige dreiging
Reputatie en binding tegenover flexibiliteit
Berovingsprobleem en verzonken kosten
Meeliften en externe effecten
Gebruik de uitslag om te bepalen waar je in de examentraining het meest tijd aan besteedt.
Waar zie je meeliften of beroving om je heen?
Verwacht: groepsopdrachten (meeliften), schoonmaak in een studentenhuis, bijbaan met investering in eigen kleding of opleiding bij één werkgever (beroving). Laat leerlingen de pay-offs benoemen.
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Begrippen (1/2)
zelfbinding: Jezelf vooraf vastleggen, zodat je je dominante strategie niet meer kunt kiezen; de pay-off van die keuze vervalt, de keuze van de ander verandert.
sociale norm: Ongeschreven regel; overtreden kost schaamte en verandert de pay-offs in de matrix.
reputatie: Beeld van anderen door je eerdere gedrag; afwijken kost toekomstige opbrengsten en verandert de pay-offs over de tijd.
geloofwaardige dreiging: Dreiging die wordt uitgevoerd, omdat uitvoeren de dreiger zelf het meeste oplevert; zelfbinding kan dat bewerkstelligen.
binding en flexibiliteit: Afruil bij langdurige relaties: meer binding geeft zekerheid en vertrouwen, meer flexibiliteit geeft ruimte om aan te passen.
This item has no instructions
SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL
Begrippen (2/2)
verzonken kosten: Kosten die al gemaakt zijn en niet terug te draaien zijn, omdat de investering specifiek is.
berovingsprobleem: Na een specifieke investering kan de ander de prijs drukken; de investeerder investeert daarom niet.
collectief goed en meeliftersgedrag: Je gebruikt het samen en niemand is uit te sluiten; niet bijdragen is dominant, het evenwicht is suboptimaal.
extern effect: Gevolg van jouw keuze voor anderen dat niet in jouw kosten of opbrengst zit, negatief of positief.
internaliseren: Het externe effect bij de veroorzaker leggen, bijvoorbeeld met een heffing of subsidie ter grootte van het effect.
This item has no instructions