Suboptimale situaties (Economie vwo), les 2: Examentraining

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Examentraining

Suboptimale situaties: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: pay-offs aanpassen, spelbomen terugredeneren bij zelfbinding en dreiging, beroving en verzonken kosten, en meeliften en externe effecten. Alle gegevens staan in de vragen.

Items in this lesson

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Examentraining

Suboptimale situaties: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Michielverbeek / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Wat ga je kunnen?

Ik kan pay-offs aanpassen, een spelboom terugredeneren en het nieuwe evenwicht bepalen bij zelfbinding, normen, reputatie, beroving, meeliften en externe effecten.

This item has no instructions

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wie zijn de spelers, wat kunnen ze kiezen en wie kiest eerst?

  • 2. Zoek: de pay-offs en let op wie A en wie B is, en welke getallen kosten zijn.

  • 3. Pas aan: trek schaamte, boete of reputatiekosten alleen af bij de keuze waar ze bij horen.

  • 4. Bepaal: zoek de dominante strategie of redeneer een spelboom terug, van rechts naar links.

  • 5. Beargumenteer: noem het begrip, de pay-offs en het effect op de uitkomst.

This item has no instructions

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Zondagsopenstelling van twee winkeliers

Vraagtype 1: pay-offs aanpassen

  • Situatie: winkeliers A en B kiezen of ze zondag open of dicht zijn. Dicht-dicht geeft 5 en 5, open-open 3 en 3.

  • Open terwijl de ander dicht is geeft de opener 8 en de ander 1.

  • Een sociale norm of reputatie telt een bedrag af bij één keuze.

  • Pas eerst de pay-offs aan en zoek dan opnieuw de dominante strategie.

Matrix: dicht-dicht 5 en 5, A dicht en B open 1 en 8, A open en B dicht 8 en 1, open-open 3 en 3. Zonder norm is open dominant (8 is meer dan 5 en 3 is meer dan 1), evenwicht 3 en 3. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0

Winkeliers: dicht-dicht 5 en 5, open-open 3 en 3, alleen open 8 voor de opener en 1 voor de ander. Schaamte 4 bij open. Evenwicht?

A

Beide open, 3 en 3

B

Beide open, -1 en -1

C

Beide dicht, 5 en 5

D

Eén open en één dicht, 4 en 1

Schaamte 4 bij open: open-open wordt -1 en -1, alleen open levert de opener 4 en de ander 1. Voor A: is B dicht, dan dicht 5 tegen open 4; is B open, dan dicht 1 tegen open -1. Dicht is dominant, evenwicht dicht-dicht 5 en 5. Verwachte fout: de schaamte vergeten af te trekken (3 en 3) of ook bij de ander af te trekken.

Een verkoper wint 6 door slecht te leveren, tegen 4 bij goed. Slecht leveren kost daarna 2 jaar lang 3 aan klanten. Wat kiest hij?

A

Slecht leveren, want 6 is meer dan 4

B

Goed leveren, want slecht levert netto 3

C

Goed leveren, want slecht levert netto 0

D

Slecht leveren, want reputatie telt niet mee

Reputatiekosten 2 keer 3 is 6, dus slecht leveren geeft 6 min 6 is 0 en goed leveren 4. Rekent zonder rente. Verwachte fout: de reputatiekosten vergeten, of maar één jaar meetellen (netto 3).

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Cao-onderhandeling zonder stakingskas

Vraagtype 2: zelfbinding en dreiging

  • Situatie: W verhoogt het loon (6 en 6) of niet. Zo niet, dan staakt de bond (W 3, B 1) of niet (W 8, B 2).

  • Redeneer terug: eerst wat de bond doet, dan wat W kiest.

  • Een stakingskas betaalt leden bij staken: dat verhoogt de pay-off van staken.

  • Dat is zelfbinding: de dreiging wordt geloofwaardig doordat de keuze verandert.

Spelboom: W eerst. Zonder stakingskas kiest de bond niet staken (2 is meer dan 1), dus W verhoogt niet (8 is meer dan 6): 8 en 2. De dreiging met staken is niet geloofwaardig. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0

W verhoogt het loon (6 en 6) of niet. Dan kiest de bond staken (W 3, B 1) of niet staken (W 8, B 2). Wat is het evenwicht?

A

W verhoogt niet en de bond staakt niet: 8 en 2

B

W verhoogt het loon: 6 en 6

C

W verhoogt niet en de bond staakt: 3 en 1

D

W verhoogt het loon en de bond staakt niet: 6 en 6

Terugredeneren: de bond kiest niet staken (2 is meer dan 1), dus W krijgt bij niet verhogen 8 en bij verhogen 6. W verhoogt niet. Het derde antwoord noemt een uitkomst die in de boom niet bestaat. Verwachte fout: denken dat de dreiging met staken W dwingt te verhogen.

Wat maakt een stakingskas tot zelfbinding?

Goed antwoord: de bond legt zich vooraf vast doordat staken door de uitkering meer oplevert (bijvoorbeeld 4 tegen 2 voor niet staken), waardoor de dreiging geloofwaardig wordt en W het loon verhoogt. Fout: zeggen dat de bond en W een afspraak maken; bij zelfbinding bindt een partij zichzelf.

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Kassen bij Maasdijk in het Westland (2014)

Vraagtype 3: beroving en verzonken kosten

  • Situatie: tuinder T bouwt een kas voor 6, speciaal voor één afnemer A.

  • Houdt A zich aan de prijs, dan krijgt T 10 aan opbrengst; drukt A de prijs, dan 4.

  • De kosten zijn verzonken: de kas is niet terug te draaien of elders te gebruiken.

  • Gebruik de stappen: wat kiest A nadat de kas er staat, en wat verwacht T daarvan?

Netto voor T: nakomen 10 min 6 is 4, prijs drukken 4 min 6 is -2, niet bouwen 0. A wint bij drukken meer dan bij nakomen. Image credit: Michielverbeek / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

T bouwt een kas voor 6 (verzonken). Opbrengst 10 bij de prijs, 4 als A de prijs drukt. A drukt altijd. Zonder contract?

A

T bouwt, want 10 is meer dan de kosten van 6

B

T bouwt niet, want bouwen geeft 4 en dat is te laag

C

T bouwt en A houdt zich aan de prijs

D

T bouwt niet, want bouwen geeft -2 en niet bouwen 0

T verwacht dat A de prijs drukt: opbrengst 4 min kosten 6 is -2, dat is slechter dan 0. T bouwt niet, terwijl nakomen 4 had opgeleverd en A ook beter af was: een berovingsprobleem. Verwachte fout: de kosten vergeten af te trekken van de opbrengst.

Zet op volgorde: hoe het berovingsprobleem ontstaat

1

B drukt de prijs

2

L koopt een speciale machine

3

L verdient de kosten niet terug

4

L en B spreken een prijs af

Chronologisch: afspraak, specifieke investering (verzonken kosten), prijsdruk, verlies voor L. Verwachte fout: de prijsdruk voor de investering zetten; dan is er geen berovingsprobleem.

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Een bij op appelbloesem: de appelboer profiteert van de bijen van een ander

Vraagtype 4: meeliften en externe effecten

  • Situatie A: buurten A en B kunnen een dijk verhogen. Bijdragen kost 10 en levert elke buurt 8 op.

  • Situatie B: een imker verdient 2 aan honing en heeft 3 kosten. Een appelboer wint 4 door de bijen.

  • Het eerste is een collectief goed met meeliftersgedrag, het tweede een positief extern effect.

  • Internaliseren: een heffing of subsidie ter grootte van het effect.

Dijk: beide bijdragen geeft elk 16 min 10 is 6, alleen A bijdraagt A -2 en B 8, niemand 0 en 0. Niet bijdragen is dominant. Imker: netto -1, dus geen bijen; samenleving: 2 min 3 plus 4 is 3. Image credit: Orangeaurochs / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Vul in

Bij een dijk waar bijdragen 10 kost en elke buurt 8 oplevert, is niet bijdragen een dominante strategie, dus het Nash-evenwicht is suboptimaal door meeliftersgedrag.

dominante strategie
suboptimaal
meeliftersgedrag
extern effect
zelfbinding

Voor A: draagt B bij, dan 8 tegen 6; draagt B niet bij, dan 0 tegen -2. Niet bijdragen is dominant, evenwicht 0 en 0 in plaats van 6 en 6. Verwachte fout: extern effect invullen; dat past bij de bijen, niet bij de dijk.

Een imker verdient 2 aan honing en heeft 3 kosten. Een appelboer wint 4 door de bijen. Welke subsidie internaliseert dit volledig?

A

Een subsidie van 3, gelijk aan de kosten van de imker

B

Een subsidie van 4, gelijk aan het voordeel van de appelboer

C

Een subsidie van 2, gelijk aan de opbrengst van de honing

D

Een subsidie van 1, gelijk aan het verlies van de imker

Internaliseren: het externe voordeel (4) bij de veroorzaker leggen. Dan krijgt de imker 2 min 3 plus 4 is 3 en houdt hij bijen, wat ook voor de samenleving loont (3). Verwachte fout: de subsidie baseren op het verlies van de imker (1); dat telt het voordeel voor de appelboer niet mee.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Pay-offs aanpassen

2

Zelfbinding en dreiging

3

Beroving en verzonken kosten

4

Meeliften en externe effecten

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen opnieuw aan de hand van een extra voorbeeld.

SAMENWERKEN · SUBOPTIMAAL

Tips voor op het examen

  • Schrijf de aangepaste pay-offs eerst uit in een nieuwe matrix; reken niet in je hoofd.

  • Een spelboom los je van rechts naar links op: wat kiest de laatste speler, en wat verwacht de eerste daarvan?

  • Schaamte, boete en reputatiekosten gaan alleen van de pay-off af bij de keuze waar ze bij horen.

  • Noem in een antwoord het begrip, de pay-offs uit de opgave en het effect op de uitkomst.

This item has no instructions