Een loodgieter repareert een afvoer, VS, 2010 (foto: ocean yamaha, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Quiz
Terugblik: Kostprijs en verkoopprijs
Een loodgieter repareert een afvoer, VS, 2010 (foto: ocean yamaha, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Quiz
Terugblik: Kostprijs en verkoopprijs
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: ocean yamaha / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Welke indeling van kosten is een indeling naar categoriale kostensoort?
Constante kosten en variabele kosten
Huisvestingskosten, personeelskosten en autokosten
Toegerekende kosten en periodekosten
Integrale kosten en variabele kosten
Syllabus 30.1.1. Categoriaal betekent ingedeeld naar soort. De andere indelingen gaan over gedrag bij afzet, toerekening of calculatiemethode. Verwachte fout: constante en variabele kosten kiezen.
Vul in
Bij proportioneel variabele kosten beweegt het totaal evenredig mee met de afzet, terwijl de constante kosten per uur dalen als je meer uren verkoopt.
Syllabus 30.1.2. Verwachte fout: denken dat de constante kosten per uur gelijk blijven.
Tarief € 85 per uur, variabele kosten € 17 per uur. Hoeveel draagt een gedeclareerd uur bij aan de constante kosten?
€ 17
€ 85
€ 68
€ 102
Syllabus 30.2.1 en 30.2.2. Uitwerking: 85 − 17 = 68 per uur. Verwachte fouten: de variabele kosten (€ 17) of het tarief (€ 85) noemen, of de variabele kosten optellen (€ 102).
Waarom is de integrale kostprijs per uur hoger dan de variabele kostprijs per uur?
Hij bevat ook een opslag voor de constante kosten
Hij bevat ook de btw over de verkoopprijs
Hij bevat ook de winstopslag van de ondernemer
Hij telt de variabele kosten van alle uren mee
Syllabus 30.2.3. De integrale kostprijs is variabele kosten per uur plus opslag voor constante kosten; btw en winst zitten er niet in. Verwachte fout: denken dat de winstopslag in de integrale kostprijs zit.
Fotostudio Mertens: € 60.000 constant, 40% portretten (800 uur), 60% bedrijfsfoto's (400 uur). Ze rekent € 50 opslag op elk uur. Gevolg?
Portretten krijgen € 20 per uur te weinig opslag
Bedrijfsfoto's krijgen € 40 per uur te weinig opslag
Bedrijfsfoto's krijgen € 10 per uur te weinig opslag
Portretten krijgen € 40 per uur te veel opslag
Syllabus 30.2.1: opslag per activiteit. Uitwerking: één opslag 60.000 : 1.200 = € 50. Juist per activiteit: portretten 24.000 : 800 = € 30, bedrijfsfoto's 36.000 : 400 = € 90. Bedrijfsfoto's krijgen 90 − 50 = € 40 te weinig, portretten 50 − 30 = € 20 te veel. Verwachte fouten: de richting omdraaien (portretten te weinig), de percentages verwisselen (24.000 : 400 = 60, dus € 10 te weinig) of het verschil van de bedrijfsfoto's aan de portretten toeschrijven.
Noem één verschil tussen winstopslag en winstmarge.
Syllabus F2 (begrippen winstopslag en winstmarge). Goed antwoord: de winstopslag is een percentage over de kostprijs, de winstmarge een percentage van de verkoopprijs (exclusief btw); bij dezelfde winst is de winstopslag het hoogst. Verwachte fout: beide als hetzelfde percentage zien.
De verkoopprijs inclusief 21% btw is € 181,50. Wat is de verkoopprijs exclusief btw?
€ 143,39
€ 160,50
€ 219,62
€ 150,00
Syllabus 30.3.1. Uitwerking: 181,50 : 1,21 = 150. Controle: 150 x 1,21 = 181,50. Verwachte fouten: 21% van de prijs inclusief btw aftrekken (x 0,79 = € 143,39), € 21 aftrekken (€ 160,50) of vermenigvuldigen met 1,21 (€ 219,62).
Zet de stappen op volgorde
Syllabus 30.2.1, 30.3.1 en 30.3.2. Eerst de opslag, dan de integrale kostprijs, dan de winstopslag en als laatste de btw. Verwachte fout: de btw voor de winstopslag rekenen of de winstopslag over de prijs inclusief btw.
Loodgieter: integrale kostprijs € 70 per uur, variabele kostprijs € 25 per uur. Een klant biedt € 40 voor een extra uur dat anders leeg blijft. Effect op het resultaat?
Het resultaat stijgt met € 15
Het resultaat daalt met € 30
Het resultaat stijgt met € 40
Het resultaat blijft gelijk, de constante kosten lopen door
Syllabus 30.2.3. Uitwerking: bijdrage 40 − 25 = 15; de constante kosten lopen toch door, dus het resultaat stijgt met € 15. Verwachte fouten: de integrale kostprijs gebruiken (40 − 70 = −30), de hele opbrengst als winst zien (€ 40) of denken dat doorlopende constante kosten het effect tenietdoen.
Een dienst heeft een verkoopprijs exclusief btw van € 80 en een winstmarge van 25%. Hoe hoog is de kostprijs?
€ 64
€ 100
€ 60
€ 55
Syllabus 30.3.2 en winstmarge. Uitwerking: winst 25% van 80 = 20; kostprijs 80 − 20 = 60. Controle: 60 x 1,333 = 80, dus winstopslag 33,3%. Verwachte fouten: het percentage als winstopslag lezen (80 : 1,25 = € 64), vermenigvuldigen (€ 100) of € 25 aftrekken (€ 55).
Bureau Zuidam (€ 168.000 constante kosten) declareert 300 uur minder dan begroot. Wat gebeurt er met de periodekosten?
Ze dalen naar verhouding van de minder gedeclareerde uren
Het niet-gedekte deel schuift door naar de volgende periode
Ze blijven € 168.000 en komen helemaal ten laste van het resultaat
Ze stijgen, omdat de opslag per uur stijgt
Syllabus 30.1.3 en 30.2.2: periodekosten (constante kosten) komen in één bedrag ten laste van de resultatenrekening, los van het aantal gedeclareerde uren. Wel stijgt de integrale kostprijs per uur, maar het bedrag aan constante kosten blijft gelijk. Verwachte fouten: periodekosten als variabel behandelen, ze doorschuiven naar een volgende periode of de stijgende opslag per uur verwarren met hogere kosten.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · KOSTPRIJS
Goed gedaan!
Je kunt nu kosten indelen, een tarief en het resultaat berekenen, integrale en variabele kostprijs vergelijken en een verkoopprijs met winstopslag en btw vaststellen.
This item has no instructions