Uitleg leerdoel 1 en 2











Noteer dit voor jezelf alvast in je schrift.

Stel je vragen aan de docent die gaat streamen. 
Ga rustig zitten op je plek.
Leg je wiskundespullen op tafel. 

1 / 37
next
Slide 1: Slide
WiskundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson











Noteer dit voor jezelf alvast in je schrift.

Stel je vragen aan de docent die gaat streamen. 
Ga rustig zitten op je plek.
Leg je wiskundespullen op tafel. 

Slide 1 - Slide

Lesson Up

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Bereken
3 + (7 - 2) x 5 = 

Slide 4 - Slide

Ik kan een formule korter opschrijven.
Succescriteria
Ik kan een formule bij een beschrijving maken.
Ik kan volgorde bij bewerking met de juiste notatie toepassen.
Ik kan een formule opstellen aan de hand van een tekst, grafiek of tabel.
Ik kan een formule korter opschrijven.







Slide 5 - Slide

Formule opstellen of maken
Onderstaand stappenplan kun je gebruiken bij een tekst, tabel, grafiek of twee gegeven punten.

Stap 1   Maak een tabel bij de grafiek. Vul hierin twee roosterpunten. (Of neem deze over)
Stap 2   Lees de beginwaarde af of bereken deze.

Stap 3  Is de grafiek een stijgende of dalende lijn?
Stap 4  Hoeveel stijgt of daalt de grafiek per horizontale stap van 1? 
          Dit noemen wij de stapgrootte of hellingsgetal.

Stap 5 Maak de formule
          Vervang de onderstaande woorden voor wat je nu weet.


Op welke punt raakt de grafiek de verticale as?
Wat wil je berekenen? = beginwaarde +/- stapgrootte x Wat weet je? 
Wat staat er bij de verticale as?
Wat staat staat er bij de onderste rij?
Wat staat er bij de horizontale as?
Wat staat staat er bij de bovenste rij?

Slide 6 - Slide

Voorbeeld:

Loon = 5 + 0,20 x aantal kranten



Succescriteria
Ik kan een formule korter opschrijven.


Van plaats woorden kun je ook letters gebruiken, zie hieronder.


L = Loon 
a= aantal kranten

Bedenk wat de formule dan wordt.

Slide 7 - Slide

Voorbeeld:

Loon = 5 + 0,20 x aantal kranten

L = 5 + 0,20 x
L = 5 + 0,20 a
L = 5 + 0,20 a


Succescriteria
Ik kan een formule korter opschrijven.


Vanplaats woorden kun je ook letters gebruiken, zie hieronder.


L = Loon 
a= aantal kranten

Staat er een x-teken tussen een getal en een letter, 
dan mag je deze weglaten.



Slide 8 - Slide

Voorbeeld:

Loon = 5 + 0,20 x aantal kranten

L = 5 + 0,20 x
L = 5 + 0,20 a
L = 5 + 0,20 a


Succescriteria
Ik kan een formule korter opschrijven.


Staat er een keer-teken tussen een getal en een letter, 
dan mag je deze weglaten!

Let op!
Vul je een ander getal in voor deze letter (variabele), 
dan moet je het keer-teken weer terug zetten.

L = 5 + 0,20 a
a = 2    -->  L = 5 + 0,20 2 = 5 + 0,40 = 5,40



Slide 9 - Slide

Voorbeeld:

Loon = 5 + 0,20 x aantal kranten

L = 5 + 0,20 x
L = 5 + 0,20 a
L = 5 + 0,20 a


Onderstaande notaties zijn beiden goed!
L = 5 + 0,20 a
L = 0,20 a + 5   

Succescriteria
Ik kan een formule korter opschrijven.


Staat er een keer-teken tussen een getal en een letter, 
dan mag je deze weglaten!

Let op!
Vul je een ander getal in voor deze letter (variabele), 
dan moet je het keer-teken weer terug zetten.

L = 5 + 0,20 a
a = 2    -->  L = 5 + 0,20 2 = 5 + 0,40 = 5,40



Slide 10 - Slide

Je hebt geleerd dat .. 

.. woorden vervangen kunnen worden door letters.
.. het keer-teken weggelaten kan worden
.. een getal voor de letter moet komen te staan
  • als er een 1 staat voor de letter, we de 1 weglaten
bedrag = 7 + aantal x 1

b= 7 + a x 1

b = 7 + a1

b = 7 + 1a

b = 7 + a

Slide 11 - Slide

Je hebt geleerd dat .. 

.. woorden vervangen kunnen worden door letters.
.. het keer-teken weggelaten kan worden.
.. een getal voor de letter moet komen te staan
  • als er een 1 staat voor de letter, we de 1 weglaten
bedrag = 7 + aantal x 1

b= 7 + a x 1

b = 7 + a1

b = 7 + 1a

b = 7 + a

Slide 12 - Slide

Je hebt geleerd dat .. 

.. woorden vervangen kunnen worden door letters.
.. het keer-teken weggelaten kan worden.
.. een getal altijd voor de letter moet komen te staan.
  • als er een 1 staat voor de letter, we de 1 weglaten
bedrag = 7 + aantal x 1

b= 7 + a x 1

b = 7 + a1

b = 7 + 1a

b = 7 + a

Slide 13 - Slide

Je hebt geleerd dat .. 

.. woorden vervangen kunnen worden door letters.
.. het keer-teken weggelaten kan worden.
.. een getal altijd voor de letter moet komen te staan.
.. als er een 1 staat voor de letter, we de 1 weglaten.
bedrag = 7 + aantal x 1

b= 7 + a x 1

b = 7 + a1

b = 7 + 1a

b = 7 + a

Slide 14 - Slide


Maak de volgende woordformule zo kort mogelijk:
aantal maanden x 1,50 - 30 = winst
A
a x 1,5 - 30 = w
B
50a - 30 = w
C
w = a1,50 - 30
D
w = -30 + 1,5a

Slide 15 - Quiz




Welke van de vier formules is niet gelijk aan:
w = 16 - 4a
A
16 - 4a = w
B
-4a + 16 = w
C
w = 4a - 16
D
w = -4a + 16

Slide 16 - Quiz

Aan de slag
Heb je aantekeningen genoteerd in je schrift?

Maak opgaven: 



Controleer je werk kritisch met behulp van de uitwerkingen via magister leermiddelen.
Snap je wat je fout gedaan hebt? Verbeter je fouten met een andere kleur. 
Wie kan je om hulp vragen als je het niet begrijpt?
Let ook op je notatie!

Lever in je nagekeken uitwerkingen in via de volgende slides.
Ondersteunend: O3, 4, O5, 6
Doorlopend: 3, 4, 5, 6
Uitdagend: 3, 4, 6, U1, U2

Slide 17 - Slide

Aan de slag
Heb je aantekeningen genoteerd in je schrift? Neem steeds eerst de opgaven helemaal over.

Maak opgaven: 







Controleer je werk kritisch met behulp van de uitwerkingen via magister leermiddelen.
Snap je wat je fout gedaan hebt? Verbeter je fouten met een andere kleur. 
Wie kan je om hulp vragen als je het niet begrijpt?
Let ook op je notatie!


Ondersteunend: O28, O30, 30, O32, 33, 34, 35, 37 t/m 46
Doorlopend: 28, 30, 32, 33, 34, 35, 37 t/m 46
(opgaven met de heks mag je overslaan)
Uitdagend: 28 def, 30, 32 efgh, 33, 34 abc, 35, U7, U8, U9, 37 t/m 46



Ondersteunend: O3, 4, O5, 6
Doorlopend: 3, 4, 5, 6
Uitdagend: 3, 4, 6, U1, U2

Slide 18 - Slide

Pauze

Slide 19 - Slide

Toets bespreken

Slide 20 - Slide

Toets bespreken
  • Welk cijfer geef jij jezelf voor de toets?
  • Hoe was je voorbereiding op de toets?
  • Welk cijfer heb jij op de toets gekregen?
  • Aanpak komend hoofdstuk.

Slide 21 - Slide

Ik kan een formule vereenvoudigen.
Succescriteria
Ik weet wat perimeter, (gelijksoortige) termen, herleiden en variabelen zijn.
Ik kan formules vereenvoudigen/ herleiden






Slide 22 - Slide

termen en variabelen

Termen zijn de stukje die je bij elkaar optelt of van elkaar afhaalt.

Variabelen zijn letter die steeds veranderen (veranderlijke).
b = 3 + 4a

3 en 4a 
b = 3 + 4a

a en b

Slide 23 - Slide

termen en variabelen

Termen zijn de stukje die je bij elkaar optelt of van elkaar afhaalt.

Variabelen zijn letter die steeds veranderen (veranderlijke).
b = 3 + 4a

3 en 4a 
b = 3 + 4a

a en b

Slide 24 - Slide

termen en variabelen

Termen zijn de stukje die je bij elkaar optelt of van elkaar afhaalt.

Variabelen zijn letter die steeds veranderen (veranderlijke).
b = 3 + 4a

3 en 4a 
b = 3 + 4a

a en b

Slide 25 - Slide

De variabelen x en y.
In de wiskunde gebruiken we vaak een x en een y in een formule.  
De x staat voor invoer.
De y staat voor uitkomst.
b = 3 + 4a           y = 3 + 4x



Slide 26 - Slide

Formules vereenvoudigen
Variabele: is een onbekende letter/woord
Een stukje wat je bij elkaar optelt of aftrekt noem je termen.
voorbeeld: 3a + a   3a en a zijn termen.

Berekening:


Herleiden:
Herleiden betekent korter opschrijven.
Optelling van drie gelijke termen.
4+4+4=34=12
a+a+a=3a=3a
Vermenigvuldiging van twee factoren.

Slide 27 - Slide

Formules vereenvoudigen
4a + 2b = a + a + a + a + b + b
4a + 2b = 4a + 2b   

4a en 2b zijn geen gelijksoortige termen, 
ze hebben niet dezelfde variabelen.

Slide 28 - Slide

Formules vereenvoudigen
4a + 2b = a + a + a + a + b + b
4a + 2b = 4a + 2b   

Alleen gelijksoortige termen kun je samenvoegen.
In gelijksoortige termen komen precies dezelfde variabelen voor. 
Dus 4a + 2a = 6a     (denk aan 4 appels + 2 appels = 6 appels)

Slide 29 - Slide

Formules vereenvoudigen
Alleen gelijksoortige termen kun je samenvoegen.
In gelijksoortige termen komen precies dezelfde variabelen voor







g = 3a - 4 - 2a + 6

Slide 30 - Slide

Formules vereenvoudigen
Alleen gelijksoortige termen kun je samenvoegen.
In gelijksoortige termen komen precies dezelfde variabelen voor








g = 3a - 4 - 2a + 6

Slide 31 - Slide

Formules vereenvoudigen
Alleen gelijksoortige termen kun je samenvoegen.
In gelijksoortige termen komen precies dezelfde variabelen voor








g = 3a - 4 - 2a + 6
g = 1a + 2
g = a + 2  (je mag de 1 weglaten)

TIP!
Gebruik kleurtjes voor gelijksoortige termen.

Slide 32 - Slide

Je hebt geleerd dat je ..

.. gelijksoortige termen mag je samennemen.






3a + 4a = 7a
6b - 2b = 4b
10c - c= 9c      (10c - 1c =9c)

Dit kun je niet samennemen.
3a + 7b   
3c + 5     


Slide 33 - Slide

Je hebt geleerd dat je ..

.. een formule te vereenvoudigen.


k = -8 +4e -2 -3e
k = -8 +4e -2 -3e 
k = -10 -1e 
k = -10 -e

Slide 34 - Slide


Vereenvoudig de volgende formule:
y = x + 3x -5 + 7
A
y = 3x -13
B
y= 4x -13
C
y = 4x +2
D
y = 6x

Slide 35 - Quiz

Aan de slag
Heb je aantekeningen genoteerd in je schrift?

Maak opgaven: 



Controleer je werk kritisch met behulp van de uitwerkingen via magister leermiddelen.
Snap je wat je fout gedaan hebt? Verbeter je fouten met een andere kleur. 
Wie kan je om hulp vragen als je het niet begrijpt?
Let ook op je notatie!

Lever in je nagekeken uitwerkingen in via de volgende slides.
Ondersteunend: 9, 11, 12, 13, 14, 15
Doorlopend: 9, 11, 12, 13, 14, 15
Uitdagend: 9, 11, 14, 15, U3, U4

Slide 36 - Slide

Bedankt voor vandaag!
Ga thuis verder met 
de lessen in LessonUp!

Slide 37 - Slide