Ondernemerschap of loondienst (Bedrijfseconomie vwo), les 2: Examentraining

Werkvloer van een startup, Berlijn. Foto: Heisenberg Media, CC BY 2.0

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Examentraining

Ondernemerschap of loondienst: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Leerlingen oefenen met casussen en berekeningen: loon en resultaat vergelijken, aansprakelijkheid van de eenmanszaak, risico en motieven. 4 vraagtypen met 8 examenvragen.

Items in this lesson

Werkvloer van een startup, Berlijn. Foto: Heisenberg Media, CC BY 2.0

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Examentraining

Ondernemerschap of loondienst: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Heisenberg Media / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Wat ga je kunnen?

Ik kan een keuze tussen loondienst en ondernemen doorrekenen en beoordelen met gegevens uit een casus.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat wil de persoon en wat is zijn of haar situatie?

  • 2. Zoek: welke criteria spelen: zekerheid, zeggenschap, risico, inkomen, aansprakelijkheid.

  • 3. Reken: zet loon en resultaat op dezelfde basis (jaar of uur, voor of na premies).

  • 4. Beoordeel: noem voordeel en nadeel en sluit af met een conclusie.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Vraagtype 1: de casus beoordelen

  • Je krijgt een persoon met een situatie en beoordeelt welk argument zwaar weegt.

  • Koppel elk argument aan wat de casus geeft: vaste lasten, buffer, motief.

  • Let op: een argument dat voor de een geldt, hoeft niet voor de ander te gelden.

This item has no instructions

Omar (52) is werknemer, heeft nauwelijks hypotheeklasten en veel spaargeld. Hij wil een eigen zaak. Welk argument telt voor hem het zwaarst?

A

Een zelfstandige is zeker van een hoger inkomen

B

Zijn lage vaste lasten en spaargeld maken onzeker inkomen draagbaar

C

Als zelfstandige heeft hij recht op WW

D

In een eenmanszaak is zijn privévermogen beschermd

Syllabus 12.1. Omars situatie maakt het risico draagbaar. Afleiders: hoger inkomen is niet zeker, WW geldt niet voor zelfstandigen, de eenmanszaak beschermt het privévermogen niet.

Rik is werknemer, heeft een hoge hypotheek en een partner zonder inkomen. Welk advies is het best onderbouwd?

A

Direct stoppen, want zelfstandigen verdienen meer

B

Blijven, want loondienst heeft alleen voordelen

C

Eerst spaargeld opbouwen of ondernemen naast de baan

D

Stoppen, want de hypotheek vervalt bij ondernemen

Syllabus 12.1. Het vaste loon blijft zo het vangnet. Afleiders: een algemene aanname over inkomen, een zwart-witantwoord, een onjuist gevolg.

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Vraagtype 2: inkomen vergelijken

  • Je zet loon en resultaat op dezelfde basis: een jaar of een uur, voor of na eigen premies.

  • Resultaat = omzet min kosten. Daarna trek je premies af die de werknemer niet zelf betaalt.

  • Reken per uur als de uren verschillen.

This item has no instructions

Mila verdient in loondienst € 3.600 bruto per maand. Als ondernemer verwacht ze per jaar € 118.000 omzet en € 61.000 kosten, en ze betaalt € 6.000 premie voor AOV en pensioen. Hoeveel meer houdt ze over dan het jaarloon, voor belasting?

A

€ 7.800

B

€ 13.800

C

€ 19.800

D

€ 51.000

Jaarloon 3.600 x 12 = 43.200. Resultaat 118.000 min 61.000 = 57.000. Na premies 57.000 min 6.000 = 51.000. Verschil 51.000 min 43.200 = 7.800. Afleiders: 13.800 (premies vergeten), 19.800 (premies erbij opgeteld), 51.000 (geen vergelijking met het loon).

Tara verdient in loondienst € 30 bruto per uur en werkt 1.440 uur per jaar. Als ondernemer werkt ze 1.800 uur voor een resultaat van € 43.200 voor belasting. Wat levert een gewerkt uur als ondernemer op?

A

€ 30

B

€ 24

C

€ 13,33

D

€ 21,60

43.200 gedeeld door 1.800 = 24 per uur, dus lager dan 30 per uur. Afleiders: 30 (delen door 1.440 uur), 13,33 (beide uren opgeteld), 21,60 (afgerond op 2.000 uur). Het jaarresultaat 43.200 is gelijk aan het jaarloon 30 x 1.440, maar de uren verschillen.

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Vraagtype 3: aansprakelijkheid en risico

  • Je bepaalt wie een verlies draagt en voor welk bedrag.

  • Eenmanszaak: eerst het bedrijfsvermogen, de rest komt voor rekening van het privévermogen.

  • Zonder vangnet lopen vaste kosten en privé-uitgaven door als de omzet wegvalt.

This item has no instructions

Cas heeft een eenmanszaak. Een leverancier eist € 38.000. Het bedrijfsvermogen is € 14.000 waard en Cas heeft privé € 9.000 spaargeld. Voor welk bedrag is Cas, na inzet van het bedrijfsvermogen, privé aansprakelijk?

A

€ 9.000

B

€ 38.000

C

€ 14.000

D

€ 24.000

38.000 min 14.000 = 24.000. De aansprakelijkheid wordt niet begrensd door het spaargeld dat er is. Afleiders: 9.000 (alleen spaargeld), 38.000 (bedrijfsvermogen vergeten), 14.000 (het bedrijfsvermogen als privéaansprakelijkheid).

Dev is zelfstandig fysiotherapeut en heeft geen AOV. Een blessure houdt hem drie maanden uit zijn praktijk. Wat is het gevolg?

A

De omzet valt weg terwijl vaste kosten en uitgaven doorlopen

B

Zijn opdrachtgevers moeten het loon doorbetalen

C

Het resultaat van de zaak stijgt door minder werk

D

Hij krijgt als zelfstandige een WW-uitkering

Syllabus 12.1 en 11.2.1. Wie zich niet verzekert, draagt het risico zelf. Afleiders: loondoorbetaling en WW gelden voor werknemers; minder werk verhoogt het resultaat niet.

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Vraagtype 4: motieven beoordelen

  • Je herkent het motief en toetst of de redenering van de persoon klopt.

  • Kans: een gat in de markt. Noodzaak: geen alternatief. Onafhankelijkheid: zelf bepalen.

  • Een stelling is pas sterk als ook de situatie meetelt.

This item has no instructions

Noor start een eigen zaak omdat ze haar baan kwijt is en geen andere vindt. Ze wil eigenlijk zekerheid. Wat volgt hieruit voor haar afweging?

A

Een onzeker inkomen is voor haar geen nadeel

B

Zeggenschap is voor haar het grootste voordeel

C

Het nadeel van een onzeker inkomen weegt voor haar zwaar

D

Haar motief beperkt haar aansprakelijkheid

Syllabus 12.1. Het motief bepaalt hoe je voor- en nadelen weegt: wie zekerheid wil, weegt onzeker inkomen zwaar. Afleiders: het omgekeerde, een motief dat niet uit de casus blijkt, een onjuist juridisch gevolg.

Een adviseur zegt: wie ondernemer wil worden, moet vooral veel risico durven nemen. Welke aanvulling is het sterkst?

A

Risico nemen is het enige dat telt

B

Spaargeld is alleen nodig voor een bv

C

Ook spaargeld en vaste lasten bepalen of risico draagbaar is

D

Zeggenschap maakt risico vanzelf kleiner

Syllabus 12.1. Risicobereidheid is een eigenschap, draagkracht hangt af van de situatie. De afleiders zijn onjuist of zwart-wit.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

De casus beoordelen

2

Inkomen vergelijken

3

Aansprakelijkheid en risico

4

Motieven beoordelen

This item has no instructions

EXAMENSTOF · ONDERNEMEN · BAAN OF BEDRIJF

Tips voor op het examen

  • Vergelijk loon en resultaat altijd op dezelfde basis: jaar of uur, voor of na premies.

  • Privéopnamen zijn geen kosten: reken ze niet van het resultaat af.

  • Een goed antwoord noemt een voordeel, een nadeel en een conclusie met een gegeven uit de casus.

This item has no instructions