1. Kenmerken van de markt

T1H3 Monopolie
1. Kenmerken van de markt
2. Redenen bestaan monopolie
3. Prijsvorming
4. Welvaartsverlies
5. Prijsdiscriminatie
1 / 47
next
Slide 1: Slide
EconomietestSecundair onderwijs

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

T1H3 Monopolie
1. Kenmerken van de markt
2. Redenen bestaan monopolie
3. Prijsvorming
4. Welvaartsverlies
5. Prijsdiscriminatie

Slide 1 - Slide

LEERDOELEN
  • Kenmerken marktvorm monopolie beschrijven
  • Gedrag monopolist beschrijven
  • Verklaren op welke wijze producent streeft naar maximale winst als sprake van monopolie
  • P, Q en omzet bepalen bij monopolist die streeft naar maximale winst
  • berekenen maximale winst en omzet bij monopolist
  • uitleggen wanneer, waarom en hoe het voor producenten voordelig is prijsdiscriminatie toe te passen. 
  • Uitleggen dat monopolist met prijsdiscriminatie deel van totale consumenten surplus kan afromen. 

Slide 2 - Slide

Wat heb je nodig?
LessonUp
Cursusblok
Schrijfgerei
Laptop

Slide 3 - Slide

Monopolie
HB pg. 40 - 49
WB pg. 34 - 42
Bookwidget (zie vakmap)
LessonUp

Slide 4 - Slide

1. Kenmerken van de markt
Zie HB pg. 40
- 1 aanbieder en veel vragers : Beheerst markt en kan daardoor zelf hoogte van P en Q bepalen -> Prijszetter
- Homogene of heterogene producten (afhankelijk van markt)
- Beperkt transparante tot niet transparante markt
- Gesloten markt (quasi onmogelijk om toe te treden)


Slide 5 - Slide

2. Redenen voor het bestaan van een  monopolie
Hoe kan een monopolie ontstaan?

1. Technische monopolie
2. Natuurlijk monopolie
3. Wettelijke monopolie
4. Strategische redenen:



Slide 6 - Slide

2. Redenen voor het bestaan van een  monopolie
1. Technische monopolie
Als enige technische kennis (knowhow) of alleenrecht op gebruik van productiefactoren hebben. Productiefactoren en technische kennis in handen van 1 aanbieder.

2. Natuurlijk monopolie
Schaalvoordelen zorgen ervoor dat de aanbieder tegen lagere kost kan aanbieden dan concurrent. De investeringen om een bedrijf te beginnen zijn zo hoog dat geen enkel ander bedrijf de concurrentie wil aangaan. 




Slide 7 - Slide

2. Redenen voor het bestaan van een  monopolie
3. Wettelijke monopolie
Overheid geeft of heeft alleenrecht op verkoop (bekomen concessie, octrooi, patent...).
Octrooi of patent: Beschermt uitvinder technisch product of proces
-> verbieden anderen uitvinding na te maken, te verkopen of in te voeren.
Licentie:
Afspraak tss licentiegever en –nemer. Licentie geeft toestemming aan licentienemer om uitvinding zelf te maken, te verkopen of toe te passen. Hiervoor wordt een vergoeding betaald.



Slide 8 - Slide

2. Redenen voor het bestaan van een  monopolie
4. Strategisch
Erin slagen mogelijke concurrenten uit de markt te houden. Eén aanbieder erin slaagt de rest uit de markt te concurreren


* Het aanbieden kan enkel op basis van zulke hoge kosten dat geen concurrenten opdagen


* Een onderneming brengt een nieuw product op de markt




Slide 9 - Slide

3.1 Verloop van de kosten
De curves verlopen hetzelfde 
als bij volkomen concurrentie.

MK snijdt GK in het minimum.



Slide 10 - Slide

Slide 11 - Video

3.2 Het verloop van de opbrengsten

Curves verlopen anders omdat monopolist prijszetter is. 

Monopolist moet rekening houden met:
* Prijselasticiteit van de vraag (PEV)
* Mogelijkheid dat klant soortgelijk product koopt. (aanwezigheid van substituten)

Slide 12 - Slide

3.2 TO-curve
* Bergparabool
* Prijselastische vraag 
als TO-curve stijgt
* Prijsinelastische vraag 
als TO-curve daalt

Slide 13 - Slide

3.2 P-curve / GO-curve/V-curve
Verloopt dalend: hoe lager P, 
hoe meer verkochte Q

Geeft voor elke P mogelijke afzet
-> Prijsafzetcurve (=V-curve) monopolist
-> Valt samen met Prijsafzetcurve en
GO-curve  -> GO = (P*Q)/Q = P

Slide 14 - Slide

3.2 MO-curve
* Verloopt dalend, maar valt niet 
samen met P=GO-curve
* Daalt dubbel zo snel dan P-curve
* Snijdt horizontale as bij Q
waarbij TO-curve Max bereikt.

Slide 15 - Slide

3.2 Het verloop van de opbrengsten
TO stijgt: Prijslelastische vraag
TO daalt: Prijsinelastische vraag

GO/prijsafzetcurve verloopt dalend.
MO- curve start in hetzelfde punt als GO-curve. Raakt X-as exact in helft van raakpunt GO-curve. Ook max TO-curve.
MO via afgeleide van TO.

Slide 16 - Slide

3.3 Optimale prijs, afzet en winst
!Monopolie!:
* Snijpunt MO en MK
* Loodrecht naar GO-curve 
* Raakpunt met GO-curve = PvC
(Punt van Cournot)
* Horizontaal naar Y-as, Pm aflezen
* Qm op X-as aflezen

Slide 17 - Slide

Monopolie:

Slide 18 - Slide

3.3 Optimale prijs, afzet en winst
TO = P*Q

TO: groen vlak

Pm en Qm 
gekend.

Slide 19 - Slide

3.3 Optimale prijs, afzet en winst
Ter info: GK ontbrak: nodig om winstvlak
te kunnen bepalen. GK nu bijgevoegd.
TO (Pm*Qm) - TK (GKm*Qm)

TK: Loodrecht naar GK-curve vanuit
* Punt van Cournot
* Snijpunt MO en MK
TK: rood vlak



Slide 20 - Slide

3.4 Monopoliewinst
TO-vlak - TK-vlak
Groen - rood

Blauwe rechthoek vormt winstvlak

Slide 21 - Slide

3.4 Monopoliewinst
!Volkomen concurrentie!:
* Snijpunt GO (V-curve) en 
MK (A-curve)
* Horizontaal naar Y-as, Pvc (hier 
Prijs bij volkomen concurrentie)
aflezen
* Qvc (Q bij volk conc) op X-as aflezen

Slide 22 - Slide

3.4 Monopoliewinst
!Volkomen concurrentie!:
TO-vlak - TK-vlak
Groen - rood

Blauwe rechthoek vormt winstvlak

Slide 23 - Slide

3.4 Monopoliewinst
!Volkomen concurrentie!:
TO-vlak - TK-vlak
Groen - rood

Blauwe rechthoek vormt winstvlak

Slide 24 - Slide

3.4 Monopoliewinst
!Volkomen concurrentie!:
TO-vlak - TK-vlak
Groen - rood

Blauwe rechthoek vormt winstvlak

Slide 25 - Slide

3.5 Welvaartsverlies
Welvaartsverlies:
1. Snijpunt MO en MK
2. Punt van Cournot
3. Snijpunt GO en MK

Slide 26 - Slide

3.5 Welvaartsverlies
Monopolisten gebruiken marktmacht 
-> hogere prijzen
-> minder producten verhandeld dan bij volkomen concurrentie
Consument verliest welvaart ten voordele van monopolist. 
TS bij monopolie < TS bij volkomen concurrentie. 

Het streven naar winstmaximalisatie door monopolist veroorzaakt welvaartsverlies. Hoe groter dit welvaartsverlies, hoe duidelijker dat monopolie geen ideale marktvorm is

Slide 27 - Slide

3.6 Prijsdiscriminatie
Ondernemers rekenen soms aan verschillende consumentengroepen een verschillende prijs aan voor eenzelfde product, zonder dat productiekosten en producten verschillen. Die prijsstrategie heet prijsdiscriminatie.

* Kan obv objectieve criteria:  (marktsegmentatie)
- tijdstip (dag en nacht)
- leeftijd (50-plussers, -25...)
- geslacht
- woonplaats.

Slide 28 - Slide

3.6 Prijsdiscriminatie
* Twee criteria moeten voldaan zijn: 
     –  ondernemer heeft marktmacht (= is prijszetter) zoals bvb. bij monopolie
     – ondernemer kan verhinderen dat goederen doorverkocht worden tussen deze 2 consumentengroepen. (id-card nakijken leeftijd, woonplaats enz)

Monopolist speelt hier in op het verschil in betalingsbereidheid van consumentengroepen. In ons vb. ouderen die meer budget hebben dan jongeren en dus bereid zijn tot betalen van een hogere prijs. Ondernemer heeft nu winst van de jongeren én de ouderen.

Slide 29 - Slide

3.6 Prijsdiscrimantie
Monopolist vraag €4,00

(snijpunt MO en MK, loodrecht
naar G-curve)
Let op! 
Gebruik de juiste curves om je 
'extra winst' aan te duiden.

Slide 30 - Slide

3.6 Prijsdiscrimantie
Omzet bij oudere klanten bij prijs van 
€5,00 en Q 1000 stuks.

Omzet bij jongere klanten bij prijs van 
€4,00 en Q 1000 stuks

Extra omzet: (Blokje boven)
Deze extra omzet wordt ‘gepikt’ van het 
consumentensurplus.




Slide 31 - Slide

3.6 Prijsdiscriminatie

Slide 32 - Slide

Maak volgende opdrachten:
WB pg. 34 - 42
Opdr. 1 - 7
Klassikale verbetering/bordboek

Slide 33 - Slide

Monopolie - Surplus

Slide 34 - Slide

Monopolie: duid winstvlak aan



MO
P
GO

Slide 35 - Slide

Monopolie: duid winstvlak aan



MO
P
GO

Slide 36 - Slide

Monopolie: duid welvaartsverlies aan



MO
P
GO

Slide 37 - Slide

Monopolie: duid welvaartsverlies aan



Slide 38 - Slide

Volkomen concurrentie: duid winstvlak aan



Slide 39 - Slide

Action 4: vink het juiste antwoord aan.
Op het winstmaximaliserende outputniveau, is de prijs bij monopolie:
A
altijd hoger dan de GK.
B
gelijk aan de MK.
C
hoger dan de MK.
D
gelijk aan de MO.

Slide 40 - Quiz

Benoem twee kenmerken van de marktvorm monopolie

Slide 41 - Open question

Waarom heeft het elektriciteitsnet een monopolie in Nederland?

Slide 42 - Open question

Wat is het verschil tussen een natuurlijke en een wettelijke monopolie?

Slide 43 - Open question

Welke vier soorten monopolies zijn er?

Slide 44 - Open question

Opdracht 7: Hoe zie je aan de grafiek dat het om een monopolie gaat?

Slide 45 - Open question

Geef aan hoe prijsvorming bij een monopolie tot stand komt.

Slide 46 - Open question

Wat zijn mogelijke nadelen van een monopolie?

Slide 47 - Open question