2.2: Belasting

2.2: Belasting
1 / 31
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

2.2: Belasting

Slide 1 - Slide

Belasting Toegevoegde Waarde (BTW)

Slide 2 - Slide

Accijnzen

Slide 3 - Slide

Waarom doet de overheid dat?

Slide 4 - Open question

Directe / Indirecte belasting

Slide 5 - Slide

Loonbelasting
A
Directe belasting
B
Indirecte belasting

Slide 6 - Quiz

BTW:
A
Directe belasting
B
Indirecte belasting

Slide 7 - Quiz

Indirecte belastingen

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

Besteedbaar inkomen
Primair inkomen - (Belastingen + premies volksverzekeringen) + (toeslagen en uitkeringen) = secundair/besteedbaar inkomen

Overheid heeft dus invloed op het herverdelen van de inkomens

Slide 10 - Slide

Belastingstelsel
Vlaktaks of proportioneel: Iedereen betaalt hetzelfde % aan belasting

Progressief stelsel: hoe hoger het inkomen, hoe hoger het % belasting

Degressief: hoe hoger je inkomen, hoe lager het % belasting. 

Slide 11 - Slide

Belastingtarieven kennen
Gemiddeld belasting % =
Belasting : Bruto inkomen X 100%


Marginaal tarief: 
Hoeveel % betaal je over je laatst verdiende euro belasting?

Slide 12 - Slide

Voorbeeldsom
Imre heeft een inkomen van €5.000
Maxim heeft een inkomen van €50.000

De belastingvrije voet is €1000 en de vlaktaks is 35%. 
*Bereken hoeveel € Imre en Maxim moeten betalen aan belasting
*Bereken voor beiden het gemiddelde belasting %


.



Slide 13 - Slide

Progressief stelsel
Hoe hoger je inkomen wordt, hoe meer % belasting je moet betalen 

Verschil na belasting tussen arm en rijk wordt hierdoor kleiner = Nivellering

Slide 14 - Slide

Belastbaar inkomen

Slide 15 - Slide

Stel, je belastbaar inkomen is €80.000:
Schijf 1: (20.384 : 100) x 18,75 = 3822,-
Schijf 2: (34.817 - 20.385) : 100 x 20,20 = 2915
Schijf 3: (68.507 - 34818) : 100 x 38,10 = 12835
Schijf 4: (80.000 - 68508) : 100 x 51,75 = 5947
Totaal: 3822 + 2915 + 12835 + 5947 = €25519 aan belasting

Slide 16 - Slide

Schrift:
Cas heeft een bruto inkomen van €100.000 heeft en €20.000 aan aftrekposten.

Bereken de te betalen belasting van Cas

Slide 17 - Slide

Schrift:
Bereken de belasting voor iemand die een bruto inkomen van €100.000.
Gemiddeld: 40,97%
Marginaal: 49,5%

Slide 18 - Slide

Startopdracht
Inkomen bruto Sanne: €88.000
Aftrekposten: €8000.
Bereken:
* Belasting box 1 zonder aftrekpost
* belasting box 1 met aftrekpost


Slide 19 - Slide

Aftrekposten
Hypotheekrenteaftrek: Iemand met aftrekposten in schijf 2 hoeft over dat bedrag geen 49,5% te betalen

Iemand met aftrekposten in schijf 1 hoeft over dat bedrag geen 37,05% meer te betalen
Kortom: aftrekposten zijn % voordeliger voor de hogere inkomens = Denivellerend

Slide 20 - Slide

Heffingskorting
Bedrag wat je als korting van de belasting af mag halen. Is voor iedereen vaak een vast bedrag.

Korting van €5000 is voor mensen met een laag inkomen relatief veel meer dan mensen met een hoog inkomen = Nivellering 

Slide 21 - Slide

Stappenplan netto inkomen
Stap 1: Bereken het belastbaar inkomen (Bruto + bijtellingen - aftrekposten )
Stap 2: Reken het bedrag uit in de schijven
Stap 3: Verlaag het bedrag uit de schijven met de heffingskorting
Stap 4: Bruto inkomen - belasting = Netto inkomen

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

2 begrippen kennen
Nivelleren: Het verschil tussen arm en rijk wordt na belasting kleiner. Oorzaak: progressief stelsel, heffingskorting

Denivellering: verschil tussen arm en rijk wordt juist groter. Oorzaak: aftrekposten, degressief stelsel

Slide 24 - Slide

Wat is een progressief belastingstelsel?

Slide 25 - Open question

Dus de schijven zorgen voor?
A
Nivellering
B
Denivellering

Slide 26 - Quiz

Heffingskorting: Nivellerend of denivellerend? Leg uit

Slide 27 - Open question

Aftrekposten: Nivellerend of denivellerend? Leg uit

Slide 28 - Open question

Box 3: Sparen en beleggen
De belasting over het vermogen van mensen. 

Vermogen: spaargeld, beleggingen, huizen, ... 

Slide 29 - Slide

Voorbeeld
Jesse heeft €150.000 spaargeld 
In NL is een heffingsvrij vermogen van €60.000
Het fictieve rendement is 2,5%
De belasting op het rendement is 36%.

Bereken de belasting in box 3.
PAGINA 

Slide 30 - Slide

2.23 en 2.24

Slide 31 - Slide