N2,3 en 4: procenten herkennen

3.1 Procenten herkennen
N2
1 / 37
next
Slide 1: Slide
RekenenMBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

3.1 Procenten herkennen
N2

Slide 1 - Slide

Doel van de les:
1. Je kunt procenten en percentages als 1%, 10%, 25% en 50% herkennen en gebruiken.
2. Je kunt percentages aflezen en aangeven in een strookmodel en een cirkeldiagram.
3.Je weet van welke hoeveelheid een percentage genomen moet worden als je een percentage bepaalt.
N2

Slide 2 - Slide

Wanneer kom je procenten tegen? Wanneer werk je ermee?

Slide 3 - Open question

Welke breuken horen hierbij? En welke verhoudingen?

Slide 4 - Slide

Deze G-Star broek is €89.
Ik krijg 10% korting.
Hoeveel euro korting is dat?
A
€89
B
€8,90
C
€0,89
D
€0,089

Slide 5 - Quiz

Een ijssalon heeft een leuke actie: je leeftijd
bepaalt je korting. 1 bolletje ijs kost 2
euro. Wat is de nieuwe prijs voor een kind van 1 jaar?

A
€1,99
B
€1,80
C
€1,90
D
€1,98

Slide 6 - Quiz

Bij een uitverkoop kost een nieuwe televisie €375. Je hebt 50% korting gekregen. Wat was de oude prijs?
A
€650
B
€700
C
€750
D
€775

Slide 7 - Quiz

Een benzinetank is voor 75% vol.
Hoeveel procent is er al verbruikt?
A
10%
B
20%
C
25%
D
100%

Slide 8 - Quiz

100 %
8/8e
8 van de 8
50 %
4/8e
4 van de 8
25 %
2/8e
2 van de 8
75 %
6/8e
6 van de 8
10%
1/10e
20 van de 200
1%
1/100e
2 van de 200

Slide 9 - Slide

                                                            Procenten zijn ook makkelijk weer
                                                    te geven in een cirkeldiagram.

Slide 10 - Slide

Laatste vraag!

Slide 11 - Slide

Geef een voorbeeld van wanneer je een cirkeldiagram tegen zou kunnen komen.

Slide 12 - Open question

3.1 Procenten herkennen
N3

Slide 13 - Slide

Lesdoelen:
Je kunt procenten en percentages als 1%, 10%, 25%, 33,3% en 50% herkennen en gebruiken.
Je kunt percentages aflezen en aangeven in een strookmodel en een cirkeldiagram.
Je kunt de 100% bepalen en je weet waar je een percentage van moet nemen om een deel van te bepalen.
N3

Slide 14 - Slide

Wat vertelt deze afbeelding mij?

Heb je je weleens naar binnen laten lokken door een foto als deze?

Slide 15 - Slide

Een ijssalon heeft een leuke actie: je leeftijd
bepaalt je korting. 1 bolletje ijs kost 2
euro. Wat is de nieuwe prijs voor een kind van 1 jaar?

A
€1,80
B
€1,99
C
€1,90
D
€1,98

Slide 16 - Quiz

Bij een uitverkoop kost een nieuwe televisie €375. Je hebt 50% korting gekregen. Wat was de oude prijs?
A
€650
B
€700
C
€750
D
€775

Slide 17 - Quiz

Een benzinetank is voor 2/3e nog vol. In een tank kan 60 liter.
Hoeveel liter heeft de auto al verbruikt?
A
40 liter
B
20 liter
C
10 liter
D
33 liter

Slide 18 - Quiz

                                                            Procenten zijn ook makkelijk weer
                                                    te geven in een cirkeldiagram.

Slide 19 - Slide

Laatste vraag!

Slide 20 - Slide

Geef een voorbeeld van wanneer je een cirkeldiagram tegen zou kunnen komen.

Slide 21 - Open question

3.1 Procenten herkennen
N4

Slide 22 - Slide

Lesdoelen:
Je kunt percentages in deel-geheelsituaties herkennen en begrijpen.
Je kunt percentages bij toe- en/of afname herkennen en begrijpen.
Je kunt situaties waarin je percentages moet vergelijken herkennen en begrijpen.
N4

Slide 23 - Slide

Herkent iemand dit kastje?


Wat meet het?

Slide 24 - Slide

Met welke percentages heb jij te maken? Wanneer kom je ze tegen?

Slide 25 - Open question

Procent betekent letterlijk 'van de 100'.
1 procent betekent dus 1 van de 100 en 100 procent is 100 van de 100.
Vaak wordt gezegd: '100% is alles'. Maar let op, kijk steeds goed wat je dan bedoelt.

Je koopt een nieuwe laptop. In de winkel staat de prijs exclusief btw. De btw is 21%.


Vraag jezelf: wat is de 100%?
De prijs exclusief btw is 100%. Daar komt 21% bij, dus de prijs inclusief btw is 121%.

Slide 26 - Slide

Een laptop kost €657. Hier komt nog 21% btw bij. Wat is de verkoopprijs?
A
€797,94
B
€797,97
C
€794,97
D
€794,94

Slide 27 - Quiz

Deel van geheel
Hoe groot een deel van een geheel is, geef je aan met een percentage, een breuk of een kommagetal.
Soms heb je een deel van een deel van een deel enzovoort.
Bijvoorbeeld 25%  van 1/3e van de helft.


Slide 28 - Slide

Het deel van een geheel schatten


In 2021 waren er 999.180 studenten binnen het mbo en hbo.
Van deze groep was 51% ingeschreven bij het mbo.
Hiervan was 49% van het vrouwelijk geslacht.
En daarvan kwam 6,6% uit Utrecht.
Hoe groot is het aantal vrouwelijke mbo-studenten uit Utrecht ongeveer?

Slide 29 - Slide

Stap 1: 51% van 999.180
51% is ongeveer de helft. De helft van 1 miljoen is 500.000 studenten.

Slide 30 - Slide

Stap 2: Deze groep mbo-studenten bestond voor 49% uit vrouwen.
'Deze groep' is de 500.000 die je hebt geschat bij stap 1. Dat is de nieuwe 100%. 49% is ook ongeveer de helft. De helft van 500.000 studenten is 250.000 studenten.

Slide 31 - Slide

Stap 3: En daarvan kwam 6,6% uit Utrecht.
Nu is de 250.000 uit stap 2 de nieuwe 100%. Je schat 6% daarvan in stappen.
1% van 250.000 = 2.500
5% van 250.000 = 250.000 : 20 = 12.500
6% van 250.000 = 12.500 + 2.500 = 15.000

Slide 32 - Slide

Aan een hardloopwedstrijd doen 4500 mensen mee. 1/3e van de groep is vrouw. 1/10e van deze groep draagt een hoofddoek. Daarvan heeft 20% een stappenteller.

Om hoeveel mensen gaat het hier?
A
450 mensen
B
900 mensen
C
30 mensen
D
150 mensen

Slide 33 - Quiz

Procentuele toe- of afname
Toe- of afname van een geheel wordt vaak uitgedrukt in procenten.
Voorbeelden van toename zijn: btw, rente, winst
Voorbeelden van afname zijn: korting en
krimp (bijvoorbeeld krimp van de bevolking, economie of luchtvaart)



Slide 34 - Slide

Vince krijgt een loonsverhoging van €100. Hij verdiende eerst €2000. Hoeveel procent loonsverhoging krijgt hij?
A
5%
B
4%
C
3%
D
2%

Slide 35 - Quiz

Kijk goed naar deze afbeelding

Slide 36 - Slide

Freek en Raoul hebben allebei 2 sportscholen. Bij alle 4 de sportscholen is 15% van de bezoekers niet tevreden over de openingstijden. Leg uit waarom Freek 2 keer zo veel ontevreden bezoekers heeft gehad als Raoul.

Slide 37 - Open question