13.2 gaschromatografie

13.2 gaschromatografie
1 / 16
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

13.2 gaschromatografie

Slide 1 - Slide

Deze les
  • Vragen huiswerk 

  • Uitleg principe gaschromatografie
  • Rekenen aan chromatogrammen 

  • Maak 14, 15, 16, 17, 18, 19 en 20

Slide 2 - Slide

Leerdoel
  1. Je kan het werkingsprincipe van de gaschromatograaf uitleggen en resultaten daarvan interpreteren en voorspellen.
  2. Je kunt het piekoppervlak in een chromatogram relateren aan de hoeveelheid stof en hier berekeningen aan uitvoeren.

Slide 3 - Slide

13.3 gaschromatografie
Oven

Slide 4 - Slide

Gaschromatografie
  • Geschikt voor gassen en vluchtige stoffen (alle andere vormen zijn geschikt voor vaste stoffen en vloeistoffen)
  • stationaire fase is vaak een vloeistof (kan van zeer hydrofoob tot zeer hydrofiel)
  • mobiele fase is een inert gas
  • Monster wordt ingespoten en wordt ook gas door hoge temperatuur (oven)
  • Detector om moleculen zichtbaar te maken, bv MS of UV-Vis
inert = niet reagerend

Slide 5 - Slide

Werkingsprincipe
  • Geen hydrofobe/hydrofiele interactie met mobiele fase, want in gassen hebben moleculen geen interactie met elkaar
  • Wel interactie met stationaire fase 
  • Interactie op basis van hydrofiel/hydrofoob, vanderwaalskrachten, etc.  (komt allemaal tot uiting in kookpunt) 
  • Affiniteit

Slide 6 - Slide

Werkingsprincipe (2)
  • hoe groter het molecuul, hoe sterker de vdw, hoe hoger het kookpunt
  • grotere moleculen hechten sterker aan de stationaire fase, want hebben sterkere vdw
  • temperatuur van de oven helpt bij scheiding. 

Slide 7 - Slide

Retentietijd
  • Tijd tot een bepaald molecuul uit de kolom komt
  • Retentietijd is stofeigenschap, bij bepaalde instellingen voor de gaschromatograaf (oventemperatuur, gassnelheid)
  • Kwalitatieve analyse!
  • Identiteit altijd bevestigen met referentiemeting. 

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Concentratie berekenen
Het oppervlak onder de piek is gerelateerd aan de hoeveelheid van een bepaalde stof. 
Problemen:
  1. Hoogte/oppervlak piek hangt ook af van gevoeligheid van de detector voor een stof. Kan dus wisselen per stof. 
  2. Absolute hoeveelheid stof. Elke wijziging in injectie zie je terug. 


Slide 10 - Slide

Oplossingen
  1. Interne standaard: aan ieder monster een bekende concentratie van een bekende stof toevoegen. Wisselingen in injectie haal je er hiermee uit. 
  2. Referentiespectrum: van de stof die je wilt meten, maak je een oplossing met een bekende concentratie (ook met interne standaard). Daarna kun je de spectra met elkaar vergelijken. 

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Stappenplan concentratie berekenen
  1. Verhouding piekoppervlakken in referentiespectrum
  2. Verhouding piekoppervlakken in spectrum gemeten monster
  3. Factor berekenen met de twee verhoudingen
  4. Met de factor en de bekende concentratie (van je referentie) de concentratie van je onbekende berekenen. 

Slide 13 - Slide

1. 7,617/12,717=0,59896
2. 7,902/12,600=0,62714
referentiespectrum, 450 microM
3. 0,62714/0,59896=1,047x 
4. 1,047 x 450 = 471 microM vit E in monster
Monster

Slide 14 - Slide

Nu jullie!
Bereken de concentratie van component D in het monsterspectrum. 
Referentiespectrum
Monsterspectrum
interne standaard
250 mg/L
1894
1837
Component D
500 mg/L
4925
3679

Slide 15 - Slide

Deze les
  • Vragen huiswerk 
  • Uitleg principe gaschromatografie
  • Rekenen aan chromatogrammen 

  • Maak 14, 15, 16, 17, 18, 19 en 20


Slide 16 - Slide