4V 2.3 Celmembranen en transport

H2 Cel en leven
Deze les:
- Introductie + kennismaken
- Voorkennis test
- 2.1 Cellen leven samen dl1
1 / 47
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 80 min
Report this lesson

Items in this lesson

H2 Cel en leven
Deze les:
- Introductie + kennismaken
- Voorkennis test
- 2.1 Cellen leven samen dl1

Slide 1 - Slide

Deze les:
- Voorkennis check
- 2.3 Celmembranen en transport dl1; leerdoel 9 en 11
- Opdrachten maken
- Toets bespreken

Slide 2 - Slide

Onderdelen in een cel zijn:
1) Ribosomen
2) Plastiden
3) Celwand
4) Grote vacuole
Welke onderdelen komen alleen voor in plantaardige cellen?
A
alleen 2 en 3
B
alleen 2, 3 en 4
C
1, 2, 3 en 4
D
aleen 3

Slide 3 - Quiz

In een plantencel kunnen de volgende organellen voorkomen:
1. Chloroplasten
2. Amyloplasten
3. Chromoplasten
4. Vacuole
Welke van deze onderdelen kunnen een rode kleur geven aan een plant?

A
alleen 3
B
alleen 3 en 4
C
alleen 1, 2 en 3
D
alleen 4

Slide 4 - Quiz


A
een mitochondrium
B
een vacuole
C
het golgi-apparaat
D
een lysosoom

Slide 5 - Quiz

Uit onderzoek aan een cel, die in het midden van een plantenwortel zat, blijkt dat hij veel plastiden bevat.

Welke plastiden zullen dat zeer waarschijnlijk zijn geweest?
A
Chloroplasten en Amyloplasten
B
Chloroplasten en Chromoplasten
C
Chloroplasten, Chromoplasten en Amyloplasten
D
Alleen Amyloplasten

Slide 6 - Quiz

Als de aarde bij een aardappelplant gedeeltelijk wegspoelt, kan een aardappel boven de grond komen. Het gedeelte boven de aarde wordt groen. Dit komt doordat plastiden in elkaar overgaan.

Welke verandering bij plastiden treedt op in een deel van een aardappel dat boven de grond komt?
A
chloroplasten worden chromoplasten
B
chloroplasten worden amyloplasten
C
amyloplasten worden chromoplasten
D
amyloplasten worden chloroplasten

Slide 7 - Quiz

Vier rijken - celkenmerken
Prokaryoot: zonder celkern
Eukaryoot: met celkern

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Link

2.3 Leerdoelen en begrippen
9. Je beschrijft verschillende manieren van membraantransport
10. Je verklaart de veranderingen bij een cel in een omgeving met een afwijkende osmotische waarde
11. Je beschrijft de rol van receptoreiwitten in het celmembraan

Slide 10 - Slide

Bouw celmembraan

Slide 11 - Slide

Fosfolipiden: hydrofiele kop (water aantrekkend) en een hydrofobe staart (waterafstotend).

Slide 12 - Slide

Dubbele laag fosfolipiden: erg bewegelijk.
Cholesterol moleculen: remt de beweeglijkheid

Slide 13 - Slide

Eiwitmoleculen: transportpoort, receptoren, soms met een koolhydraatketen aan de buitenkant.

Slide 14 - Slide

Celmembraan: selectief permeabel/ semipermeabel
Niet alle stoffen kunnen het membraan passeren.

Slide 15 - Slide

Passief transport kost geen energie
Actief transport kost energie (ATP).

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Diffusie
Kleine en vetoplosbare stoffen kunnen zonder hulp het membraan passeren.

Diffusie: Altijd van een hoge naar een lage concentratie.
Bijv. O2/ CO2 (longen, lichaamscellen) en testosteron (lichaamscellen).

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video


Geladen deeltjes en grote moleculen hebben een transporteiwit nodig.

Diffusie: Altijd van een hoge naar een lage concentratie.
Controle door openen/ sluiten eiwitpoorten (bijvoorbeeld glucosetransport na binding insuline).
Gefaciliteerd transport

Slide 21 - Slide

Transport tegen de diffusierichting in (van laag -> hoog) kost altijd energie (= ATP): gaat via een speciaal transporteiwit.

Bijv. Na+/ K+-poort (in zenuwcellen).
Controle door openen/ sluiten eiwitpoorten.
Actief transport

Slide 22 - Slide

De vorm van transport helemaal links op het plaatje is...
A
Passief transport
B
Diffusie
C
Osmose
D
Actief transport

Slide 23 - Quiz

De middelste twee vormen van transport zijn...
A
Passief transport
B
Diffusie
C
Actief transport
D
Gefaciliteerde diffusie

Slide 24 - Quiz

De vorm van transport helemaal rechts op het plaatje is...
A
Passief transport
B
Diffusie
C
Actief transport
D
Gefaciliteerde diffusie

Slide 25 - Quiz

Slide 26 - Video

Hoe beïnvloed warmte de diffusiesnelheid?

Slide 27 - Open question

Slide 28 - Link

Fagocytose:
opnemen van bacteriën en grote deeltjes door witte bloedcellen.
Na fusie met een lysosoom kan het deeltje/ de bacterie worden afgebroken.

Slide 29 - Slide

Endocytose:
opnemen van grote partikels, deeltjes die het membraan niet kunnen passeren (ijzerionen, grote vetachtige stoffen).
Na binding aan een receptor.

Slide 30 - Slide

Exocytose: 
Afgeven van een stof in een blaasje aan de buitenwereld van een cel.
Wordt ook gebruikt om receptoren aan de buitenkant van het membraan te krijgen.

Slide 31 - Slide

Aan de slag!
- Lezen 2.3 blz. 55 en 56
- Maken 2.3 opdrachten bij leerdoel 9

timer
10:00

Slide 32 - Slide

2.3 Leerdoelen en begrippen
9. Je beschrijft verschillende manieren van membraantransport
10. Je verklaart de veranderingen bij een cel in een omgeving met een afwijkende osmotische waarde
11. Je beschrijft de rol van receptoreiwitten in het celmembraan

Slide 33 - Slide

Watertransport
Water kan deels via diffusie door het celmembraan heen. Dit is echter langzaam (door de hydrofobe binnenkant van het membraan).
Snel watertransport kan via een waterkanaal (transporteiwit).
Het proces van watertransport over een semipermeabel membraan heet osmose.

Slide 34 - Slide

Osmose
Hoeveel water zich verplaatst wordt bepaald door de osmotische waarde aan beide zijden van het membraan.
Osmotische waarde: hoeveelheid opgeloste stoffen in het water.
Hoge osmotische waarde: veel opgeloste stoffen.
Lage osmotische waarde: weinig opgeloste stoffen.
Water stroomt van een lage -> hoge osmotische waarde.

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Video

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Slide

Hypotoon/ isotoon/ hypertoon

Slide 39 - Slide

Dierlijke cellen
Streven naar isotone omstandigheden.

Slide 40 - Slide

Plantencellen

Slide 41 - Slide

Streven naar hypertone celinhoud om druk op de celwand te houden (turgor): stevigheid

Slide 42 - Slide

Plasmolyse: celmembraan laat los van de celwand.
Grensplasmolyse: turgor=nul maar celmembraan laat nog net niet los

Slide 43 - Slide

Slide 44 - Slide

de osmotische waarde van zuiver water is ......... ten opzichte van een zoutoplossing
A
Hypertoon
B
Hypotoon
C
Isotoon

Slide 45 - Quiz

Op het moment dat de omgeving een hogere osmotische waarde heeft noem je dit ....
A
hypotoon
B
isotoon
C
hypertoon

Slide 46 - Quiz


Een plantencel wordt in een oplossing
gelegd. Is deze oplossing isotoon,
hypertoon of hypotoon ten opzichte
van de plantencel?
A
isotoon
B
hypertoon
C
hypotoon

Slide 47 - Quiz