ww aimer, adorer, détester + lidwoord

Aan het eind van de les kan je..
zeggen wat je leuk vindt en wat je niet leuk vindt 
Bonjour!!
Wat gaan we doen?

leren de werkwoorden op-er vervoegen:
Aimer, adorer, préferer, détester
1 / 27
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Aan het eind van de les kan je..
zeggen wat je leuk vindt en wat je niet leuk vindt 
Bonjour!!
Wat gaan we doen?

leren de werkwoorden op-er vervoegen:
Aimer, adorer, préferer, détester

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Welke zin klopt?
A
J'habites à Hilversum.
B
Tu habites à Hilversum.
C
Il habites à Hilversum.
D
Elle habites à Hilversum.

Slide 3 - Quiz

Welke zin klopt?
A
Nous habitez à Bussum.
B
Ils habitez à Bussum.
C
Vous habitez à Bussum.
D
Elles habitez à Bussum.

Slide 4 - Quiz

aimer              = houden van, leuk vinden
                                                  (2 woorden!)     

Slide 5 - Slide

wát vind je leuk?

ik vind voetbal leuk                 =  j'aime le foot

jij vindt dansen leuk               =  tu aimes la danse

 

aimer              = houden van, leuk vinden
                                                      

Slide 6 - Slide

wát vind je leuk?

ik vind voetbal leuk                 =  j'aime le foot

jij vindt dansen leuk               =  tu aimes la danse

 

aimer              = houden van, leuk vinden
                                                      

Slide 7 - Slide

adorer                = dol zijn op                    
                               (3 woorden) 

Slide 8 - Slide

wáár ben je dol op?

Ik ben dol op pizza                            = ..................... la pizza

zij zijn dol op hockey                       = ...................... le hockey

 

adorer                = dol zijn op                    
                                

Slide 9 - Slide

wáár ben je dol op?

Ik ben dol op pizza                            = j'adore la pizza

zij zijn dol op hockey                       = ils adorent le hockey

 

adorer                = dol zijn op                    
                             

Slide 10 - Slide

préférer = liever hebben
                    (2 woorden)
                    
  

Slide 11 - Slide

wát heb je liever?

jij hebt liever sport                    = ................. le sport 

hij heeft liever muziek             = ................. la musique


préférer = liever hebben
                    
                                

Slide 12 - Slide

wát heb je liever?

jij hebt liever sport                    = tu préfères le sport 

hij heeft liever muziek             = il préfère la musique


préférer = liever hebben
                     
                                

Slide 13 - Slide

détester = een hekel hebben aan, haten
                                         (4 woorden) 

Slide 14 - Slide

wáár heb je een hekel aan?

ik heb een hekel aan rap                   = ................. le rap

hij heeft een hekel aan muziek      = ................. la musique


détester = een hekel hebben aan, haten
                                         

Slide 15 - Slide

wáár heb je een hekel aan?

ik heb een hekel aan rap                   = je déteste le rap

hij heeft een hekel aan muziek      = il déteste la musique


détester = een hekel hebben aan, haten
                                         

Slide 16 - Slide

LET OP:

aimer
adorer
préférer
détester




+ le /la / les

+ zelfstandig naamwoord!


Tu aimes le tennis?

Elle adore la pizza.

Ils détestent les matchs.


Slide 17 - Slide

Au travail / zelfstandig aan het werk:
  1. Maak exercice 16B & 16C, page 90

  2. Klaar? Ga verder met 16D & 16E, page 91

Slide 18 - Slide

Au travail / zelfstandig aan het werk:
  1. Maak exercice 16B & 16C, page 90

  2. Klaar? Ga verder met 16D & 16E, page 91

  3. Klaar? Oefen apprendre 1, 2, 6  & 7 (unité 2)

Slide 19 - Slide

Ik hou van rapmuziek.



A
J'aimons le rap.
B
J'aimes le rap.
C
J'aimez le rap.
D
J'aime le rap.

Slide 20 - Quiz

Wij zijn dol op voetbal.
A
Nous adorons le foot.
B
Nous adorons foot.
C
Nous adorez le foot.
D
Nous adorons à foot.

Slide 21 - Quiz

Zij hebben een hekel aan pizza.
A
Ils détestent pizza.
B
Ils détestent à pizza.
C
Ils détestent la pizza.
D
Ils détestez pizza.

Slide 22 - Quiz

Zij is dol op dansen.
A
Elle adore danse.
B
Elle adore la danse.
C
Elle adorent la danse.
D
Elle adore à la danse.

Slide 23 - Quiz

Hebben jullie een hekel aan rugby?
A
Vous détestez le rugby?
B
Vous détestent rugby?
C
Vous détestez rugby?
D
Vous déteste le rugby?

Slide 24 - Quiz

Paul is dol op dansen.
A
Paul adore danse.
B
Paul adores la danse.
C
Paul adore la danse.
D
Paul adorez la danse.

Slide 25 - Quiz

Heb jij een hekel aan koekjes?
A
Tu détestes gâteaux?
B
Tu déteste les gâteaux?
C
Tu déteste gâteaux?
D
Tu détestes les gâteaux?

Slide 26 - Quiz

Bien fait!

Slide 27 - Slide