Monniken en ridders (Geschiedenis vwo), les 2: Examentraining

TIJDVAK 3 · 500-1000

Examentraining

Monniken en ridders: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorGeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Oefen examenvragen op vwo-niveau over tijdvak 3: aspect herkennen, oorzaken en gevolgen, chronologie en begrippen gebruiken.

Items in this lesson

TIJDVAK 3 · 500-1000

Examentraining

Monniken en ridders: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Albrecht Dürer / Wikimedia Commons, publiek domein

TIJDVAK 3 · 500-1000

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over tijdvak 3 beantwoorden: aspect herkennen, oorzaken en gevolgen, chronologie en begrippen gebruiken.

This item has no instructions

TIJDVAK 3 · 500-1000

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: het voorbeeld of de bron: wie handelt, wat verandert en wanneer?

  • 2. Plaats: bij welk kenmerkend aspect (9 tot 12) en welk begrip past het?

  • 3. Redeneer: schrijf in stappen, met een begrip uit de stof en een verwijzing naar het voorbeeld

This item has no instructions

Bonifatius doopt en wordt gedood in 754, miniatuur uit een sacramentarium van Fulda

TIJDVAK 3 · 500-1000

Vraagtype 1: aspect herkennen

  • Je krijgt een onbekend voorbeeld: herken de kern, niet de naam of het jaartal

  • Vraag je af: wat verandert er en wie heeft de macht? Let op voorbeelden die twee aspecten raken

Image credit: Onbekend (Fulda) / Wikimedia Commons, publiek domein

Rond 700 laat een Angelsaksische koning zich dopen, zijn krijgers volgen. Welk aspect?

A

Het ontstaan van feodale verhoudingen

B

De vervanging van de agrarisch-urbane cultuur

C

De verspreiding van het christendom

D

Het ontstaan en de verspreiding van de islam

KA 9: elite eerst, dan het volk. Verwachte fout: feodale verhoudingen kiezen omdat een koning en krijgers genoemd worden.

Een edelman zweert zijn graaf trouw en krijgt land waarvoor hij te paard moet strijden. Welk aspect?

A

Het ontstaan van feodale verhoudingen

B

De verspreiding van het christendom

C

Een zelfvoorzienende agrarische cultuur

D

Het ontstaan en de verspreiding van de islam

KA 12: leen, trouw en militaire dienst. Verwachte fout: zelfvoorzienende cultuur kiezen vanwege het land.

TIJDVAK 3 · 500-1000

Vraagtype 2: oorzaken en gevolgen

  • Onderscheid directe en indirecte oorzaken en korte en lange termijn

  • Soorten: politiek-bestuurlijk, sociaaleconomisch en cultureel-mentaal

This item has no instructions

Handel en steden raakten in verval na het einde van West-Rome. Welk soort gevolg is dat?

A

Een cultureel-mentaal gevolg

B

Een politiek-bestuurlijk gevolg

C

Een aanleiding van de val zelf

D

Een sociaaleconomisch gevolg

Handel en steden zijn economisch en sociaal. Verwachte fout: politiek-bestuurlijk kiezen omdat het gezag wegviel; dat was de oorzaak.

Noem een gevolg van het verdwijnen van het centrale gezag.

Goed: lokale heren kregen macht, feodale verhoudingen of zelfvoorzienende landbouw ontstonden, handel nam af. Verwachte fout: een gevolg noemen dat pas veel later optrad.

Karel de Grote, fantasieportret door Albrecht Dürer, 1512

TIJDVAK 3 · 500-1000

Vraagtype 3: chronologie en tijdvakken

  • Gebruik de tijdvakken met hun jaartallen als referentiekader

  • Weet bij elk voorbeeld in welk tijdvak het valt, en wat daarvoor en daarna kwam

Image credit: Albrecht Dürer / Wikimedia Commons, publiek domein

In 800 wordt Karel de Grote tot keizer gekroond. In welk tijdvak valt dat?

A

Tijdvak 2, Grieken en Romeinen (tot 500)

B

Tijdvak 3, monniken en ridders (500-1000)

C

Tijdvak 4, steden en staten (1000-1500)

D

Tijdvak 5, ontdekkers en hervormers (1500-1600)

800 valt tussen 500 en 1000. Verwachte fout: tijdvak 2 kiezen omdat de keizer aan Rome doet denken.

Zet de tijdvakken op volgorde, van vroeg naar laat

1

Tijdvak 4: steden en staten

2

Tijdvak 3: monniken en ridders

3

Tijdvak 2: Grieken en Romeinen

4

Tijdvak 5: ontdekkers en hervormers

Tijdvak 2 tot 5.

Franks Casket, Northumbrië, begin 8e eeuw: Germaanse sage en christelijk verhaal op één kistje

TIJDVAK 3 · 500-1000

Vraagtype 4: begrippen gebruiken

  • Begrippen hebben een precieze betekenis: gebruik ze juist en leg ze uit met een voorbeeld

  • Let op begrippen die op elkaar lijken, zoals hofstelsel en feodaliteit

Image credit: John W. Schulze / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Welk begrip past bij: boeren die gebonden zijn aan het land van hun heer?

A

Horigheid

B

Feodaliteit

C

Syncretisme

D

Kerstening

Horigheid, KA 11. Verwachte fout: feodaliteit, dat gaat over bestuur en trouw tussen heren.

Leg syncretisme uit met een voorbeeld uit tijdvak 3.

Goed: vermenging van oude en nieuwe gebruiken, bijvoorbeeld Germaanse sagen naast christelijke verhalen op het Franks Casket. Verwachte fout: alleen een definitie zonder voorbeeld.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Kenmerkend aspect herkennen

2

Oorzaken en gevolgen

3

Chronologie en tijdvakken

4

Begrippen gebruiken

This item has no instructions

TIJDVAK 3 · 500-1000

Tips voor op het examen

  • Leer 476, 754, 800 en 843 als ankers en weet wat er veranderde

  • Koppel elk voorbeeld aan één aspect (9 tot 12) en motiveer met een begrip

  • Onderscheid bij oorzaken: politiek-bestuurlijk, sociaaleconomisch en cultureel-mentaal

This item has no instructions