TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Examentraining
Jagers, boeren, Grieken en Romeinen: zo pak je examenvragen aan
TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Examentraining
Jagers, boeren, Grieken en Romeinen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jebulon / Wikimedia Commons, CC0
TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over tijdvak 1 en 2 beantwoorden: aspect herkennen, oorzaken en gevolgen, begrippen en tijdvakken.
This item has no instructions
TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: bron of situatie en de vraag: gaat het om herkennen, verklaren, vergelijken of plaatsen?
2. Plaats: bij welk tijdvak, kenmerkend aspect en welk begrip uit de stof hoort het voorbeeld?
3. Redeneer: schrijf in stappen, met een begrip uit de stof en een verwijzing naar het voorbeeld
This item has no instructions
Tablet met spijkerschrift over mout en gerst uit Mesopotamië
TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Vraagtype 1: aspect herkennen
Je krijgt een onbekend voorbeeld: herken de kern, niet de naam of het jaartal
Vraag je af: wie handelt, wat verandert er en welk kenmerkend aspect past daarbij?
Image credit: Metropolitan Museum of Art / Wikimedia Commons, CC0
Een stad aan de Eufraat heeft ambachtswijken, graanopslag en een bestuurder die voorraden registreert. Aspect?
Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
De levenswijze van jagers-verzamelaars
De groei van het Romeinse imperium
Ambachten, voorraden en bestuur wijzen op KA 3. Verwachte fout: landbouw kiezen omdat er graan wordt opgeslagen, maar de situatie draait om bestuur en arbeidsverdeling.
Een Gallische stam krijgt Romeinse wegen en leert Latijn, maar blijft een eigen god vereren. Aspect?
De confrontatie met de Germaanse cultuur
De klassieke vormentaal van Grieken en Romeinen
De ontwikkeling van jodendom en christendom
De groei van het Romeinse imperium en wederzijdse beïnvloeding
Veroverd volk, Latijn en wegen: KA 6. Verwachte fout: de Germaanse confrontatie kiezen omdat het om een volk buiten Rome gaat, maar de stam hoort bij het rijk.
TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Vraagtype 2: oorzaken en gevolgen
Onderscheid direct en indirect, aanleiding en achterliggende oorzaak, korte en lange termijn
Soorten: politiek-bestuurlijk, sociaaleconomisch en cultureel-mentaal
This item has no instructions
Veroveringen leverden Rome buit en land op. Welk soort gevolg is dat?
Een cultureel-mentaal gevolg
Een sociaaleconomisch gevolg
Een politiek-bestuurlijk gevolg
Een aanleiding, geen gevolg
Buit en land gaan over bezit en rijkdom: sociaaleconomisch. Verwachte fout: politiek-bestuurlijk kiezen omdat het om veroveringen gaat.
Hoe leidde een voedseloverschot tot steden?
Goed: bij een voedseloverschot hoefde niet iedereen voedsel te verbouwen, dus ontstond arbeidsverdeling met ambachtslieden, handelaren en bestuurders in steden. Verwachte fout: alleen zeggen dat er meer eten was zonder de keten naar arbeidsverdeling en bestuur.
Ostraka: scherven met namen waarmee Atheners iemand konden verbannen
TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Vraagtype 3: begrippen en vergelijken
Je gebruikt een begrip uniek (voor één situatie) of generiek (voor alle voorbeelden)
Let bij vergelijken op gelijkenissen en verschillen in tijd en plaats
Image credit: Gary Todd / Wikimedia Commons, CC0
'De democratie van Athene sloot vrouwen uit.' Hoe wordt het begrip democratie hier gebruikt?
Uniek: het gaat om één bepaalde democratie
Generiek: voor elke democratie in de geschiedenis
Uniek: het gaat om alle stadstaten samen
Generiek: alleen over de democratie van nu
De zin gaat over Athene: unieke betekenis. Verwachte fout: generiek kiezen omdat het woord democratie algemeen klinkt.
Noem een verschil tussen burgerschap in Athene en nu.
Goed: in Athene waren alleen volwassen mannen burger, tegenwoordig mogen in Nederland ook vrouwen stemmen en is er geen slavernij. Verwachte fout: noemen dat Atheners geen stemrecht hadden.
TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Vraagtype 4: tijdvakken en perioden
Gebruik de tijdvakken en de perioden als referentiekader
Let op de grens: tijdvak 1 loopt tot 3000 v.Chr., tijdvak 2 van 3000 v.Chr. tot 500 n.Chr.
This item has no instructions
Caesar veroverde Gallië in 58-50 v.Chr. Hoe plaats je dat?
Tijdvak 1, de Prehistorie
Tijdvak 2, de Prehistorie
Tijdvak 2, de Oudheid
Tijdvak 1, de Oudheid
58 v.Chr. ligt na 3000 v.Chr.: tijdvak 2, Oudheid. Verwachte fout: tijdvak en periode door elkaar halen.
Eerste steden rond 3500 v.Chr., democratie in Athene rond 508 v.Chr. Welke indeling klopt?
Beide in tijdvak 1
Eerste steden in tijdvak 1, democratie in tijdvak 2
Beide in tijdvak 2
Eerste steden in tijdvak 2, democratie in tijdvak 1
3500 v.Chr. ligt vóór de grens van 3000 v.Chr. en 508 v.Chr. erna. Verwachte fout: denken dat steden al in de Oudheid vallen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Kenmerkend aspect herkennen
Oorzaken en gevolgen
Begrippen en vergelijken
Tijdvakken en perioden
This item has no instructions
TIJDVAK 1-2 · TOT 500 N.CHR.
Tips voor op het examen
Leer 3000 v.Chr., 508 v.Chr., 9 n.Chr. en 476 als ankers en weet wat er veranderde
Koppel elk voorbeeld aan één aspect (1 tot 8) en motiveer met een begrip
Bij oorzaken en gevolgen: noem het soort en leg de keten uit, niet alleen de gebeurtenis
This item has no instructions