5V H10 Les 4 - 10.4 Chromatografie

10.4 Chromatografie
1 / 30
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

10.4 Chromatografie

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
Na deze les weet ik...:
  • wat chromatografie is

Na deze les kan ik...:
  • uitleggen op basis waarvan chromatografie werkt
  • verschillende vormen van chromatografie uitleggen
  • uitleggen hoe kwalitatief en kwantitatief onderzoek met chromatografie in zijn werk gaat

Slide 2 - Slide

Voorkennis ophalen

Slide 3 - Slide

Polaire binding
Apolaire binding
OH binding
CO binding
CH binding
NH binding
HH binding

Slide 4 - Drag question

Polaire molecuul
Apolair molecuul
Waterstof
Methaan
Methanol
Waterstofchloride
Koolstofdioxide
Water

Slide 5 - Drag question

Bij (papier)chromatografie hebben stippen hoog op het chromatografiepapier meer affiniteit met de
..(1).. fase, terwijl stippen laag op het papier meer affiniteit hebben met de ..(2).. fase
A
(1) mobiele (2) stationaire
B
(1) stationaire (2) mobiele
C
(1) mobiele (2) mobiele
D
(1) stationaire (2) stationaire

Slide 6 - Quiz

Chromatografie berust op verschil in aanhechtingsvermogen van de (kleur)stof aan het papier en oplosbaarheid van de (kleur)stof in de loopvloeistof.
Het evenwicht dat zich hierbij instelt is een voorbeeld van een...
A
homogeen evenwicht
B
verdelingsevenwicht
C
heterogeen evenwicht

Slide 7 - Quiz


Twee kleuren worden onderzocht d.m.v. chromatografie. Lysozym is een gele kleurstof die beter oplost in de loopvloeistof dan rodoxan, een rode kleurstof. Welke stof zal hoger komen op het chromatogram?
A
rodoxan
B
lysozym

Slide 8 - Quiz

Paracetamol maken

Slide 9 - Slide

Wat gebeurt er met de Rf-waarde van paracetamol als Jessica i.p.v. een mengsel van petroleumether en aceton gebruikmaakt van een ander mengsel (andere verhouding) als loopvloeistof?
A
Nog steeds 0,7, want de Rf-waarde is onafhankelijk van het soort loopvloeistof
B
Anders dan 0,7, want de Rf-waarde is afhankelijk van het soort loopvloeistof.
C
Dat kun je niet voorspellen. De Rf-waarden kan nog steeds 0,7 zijn óf anders dan 0,7.

Slide 10 - Quiz

Chromatografie

Slide 11 - Slide

Typen chromatografie
kolomchromatografie
papierchromatografie
dunnelaag chromatografie (TLC)
gaschromatografie (13.3)
vloeistofchromatografie

Slide 12 - Slide

Chromatografie
Vorige les:
  • Papierchromatografie
  • TLC (Thin layer chromatografie) = Dunne laag chromatografie
  • Kolomchromatografie

Deze les:
  • HPLC = High pressure liquid chomatografie
  • GC = gaschromatografie

Slide 13 - Slide

Papierchromatografie
  • Rf-waarde = a/b
  • a = afstand van startlijn tot middelpunt van een vlek
  • b = afstand van startlijn tot vloeistoffront

  • Gebruik een referentiestof: zelfde Rf-waarde, zelfde stof
  • Rf-waarde is karakteristeriek

Slide 14 - Slide

TLC (Thin Layer Chromatography)
  • In plaats van papier is een plaatje met SiO2 de stationaire fase.
  • Principe van de scheiding is de verdeling van stoffen over de mobiele en stationaire fase. 
  • Afhankelijk van voorkeur voor stof om in mobiele of stationaire fase te zitten, eindigt de stof op een andere plaats op het papier.

Slide 15 - Slide

Kolomchromatografie
  • Een kolom ipv papier
  • Kolom is een dunne buis waarin de stationaire fase zit
  • Mobiele fase is een vloeistof dat het mengsel meeneemt door de kolom heen
  • Stoffen in een mengsel binden korter of langer aan de stationaire fase -> scheiding

Slide 16 - Slide

Kolomchromatografie
  • Mobiele en stationaire fase hebben tegengestelde polariteit

  • Princiepe van scheiding op basis van verdelingsevenwicht:
Kv=[A]m[A]s
[A]m[A]s

Slide 17 - Slide

Vloeistof chromatografie / Gaschromatografie
  • Vloeistof chromatografie: stoffen hebben vloeibare fase
  • Gas chromatografie: stoffen hebben gas-fase
  • Beide hebben een kolom, waardoor de stoffen 'gescheiden' worden
  • Draaggas/oplosmiddel hebben andere polariteit dan de kolom

Slide 18 - Slide

Gaschromatografie
  • Mengsel wordt verhit, zodat alle stoffen verdampen.
  • Draaggas door de kolom geleidt.
  • Binnenkant van kolom heeft dunne laag met stationaire fase

Slide 19 - Slide

Retentietijd (tR)
  • Tijd dat een stof in de kolom zit
  • Elke stof heeft zijn eigen tR
  • Scheiding is door specifieke eigenschappen van stationaire fase
  • Vb: apolaire stoffen in een kolom met een apolaire stationaire fase zijn langzaam en komen later uit de kolom dan polaire stoffen

Slide 20 - Slide

Principe van GC
  • Stoffen blijven verschillend ''hangen'' aan de stationare fase; de ene meer dan de ander.
  • Daardoor vindt scheiding plaats

Slide 21 - Slide

Geef de volgorde waarin de onderstaande stoffen uit een polaire kolom komen.
Als 1e
Als 2e
Als 3e
Als 4e
Als 5e
Propaan
Pentaan
Ether
Ethanol
Ethaan-1,2-diol

Slide 22 - Drag question

Kwalitatieve analyse
  • x-as: de tijd
  •  y-as: spanning
  • De detector geeft een andere spanning af als een andere stof passeert
  • tR is bij zelfde omstandigheden specfiek voor een stof: opgezocht in tabellen

Slide 23 - Slide

Kwantitatieve analyse
  • Oppervlakte van een piek is recht evenredig met de concentratie van die stof in het mengsel
  • Oppervlakte wordt bepaald met een computer
  • Maar je weet niet hoeveel je hebt toegevoegd: dus je hebt een referentie nodig.

Slide 24 - Slide

Plan van aanpak concentratiebepaling
  • Chromatogram A met je te onderzoeken mengsel
  • Chromatogram B met mengsel van zelfde stoffen met bekende concentraties
  • Onder zelfde omstandigheden een kolom doen
  • Gebruik de verhouding tussen oppervlaktepieken om concentratie in te onderzoeken mengsel te bepalen. 

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Maak kloppend door groot of klein in te vullen:
1. De retentietijd van een stof die goed hecht aan de stationaire fase is ...
2. De retentietijd van hexaan op een polaire kolom is ...
A
1. Groot, 2. Groot
B
1. Klein, 2. Klein
C
1. Groot, 2. Klein
D
1. Klein, 2. Groot

Slide 27 - Quiz

Wanneer je gaschromatografie als kwantitatieve analysemethode toepast...
A
gebruik je de hoogtes van de pieken
B
gebruik je de breedtes van de pieken
C
gebruik je de oppervlaktes onder de pieken
D
gebruik je de retentietijden van de pieken

Slide 28 - Quiz

Wanneer de stationaire fase polair is...

A
bereikt een hydrofobe stof eerder de detector dan een hydrofiele stof
B
bereikt een hydrofiele stof eerder de detector dan een hydrofobe stof

Slide 29 - Quiz

Huiswerk

  • MAAK: H10.4 Opgave 23, 24, 26, 27 
  • LEES: 10.4 

Slide 30 - Slide