6 Vwo Economie par. 14.2 en 14.3

14.5d
Loonkosten per product veranderen met
A
10 - 5
B
5 - 10
C
110 / 105 x 100
D
105 / 110 x 100
1 / 32
next
Slide 1: Quiz
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

14.5d
Loonkosten per product veranderen met
A
10 - 5
B
5 - 10
C
110 / 105 x 100
D
105 / 110 x 100

Slide 1 - Quiz

14.5f
Wat is geen goed antwoord?
A
slechtere concurrentiepositie
B
verplaatsing naar lage lonen landen
C
meer breedte investeringen
D
meer diepte investeringen

Slide 2 - Quiz

6 Vwo Economie par. 14.2 en 14.3
Leerdoelen:

- Het kennen van de begrippen nivellering en denivellering
- Het kunnen analyseren van het effect van bepaalde ontwikkelingen en overheidsmaatregelen op de inkomensverdeling
- Het kunnen analyseren van het effect van bepaalde ontwikkelingen en maatregelen op de internationale inkomensverdeling
- Het kennen en kunnen analyseren van de verschillende belastingstelsels

Slide 3 - Slide

Nivellering <------------------------> Denivellering

Nivellering = het minder scheef worden van de inkomensverdeling

Denivellering = het schever worden van de inkomensverdeling

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Belangrijkste oorzaken nivellering na WOII
primaire inkomensverdeling
  • scholing
( bijv. minder schaarste arbeidsmarkt hoogopgeleiden )

secundaire inkomensverdeling
  • sociale zekerheid

Slide 6 - Slide

Maatregelen overheid mbt nivellering / denivellering
Primaire inkomensverdeling:
- minimumloon ( niv. )
- maximumtarieven ( niv. )
- koppeling ambtenarensalarissen ( niv. )

Slide 7 - Slide

Maatregelen overheid mbt nivellering / denivellering
Secundaire inkomensverdeling:
- Progressief belastingstelsel ( niv. )
- Heffingskortingen ( niv. )
- Aftrekposten, zoals de hra ( deniv. )
- Overdrachtsinkomens ( niv. )

Slide 8 - Slide

Het kabinet besluit het minimumloon met 5% te verhogen. De gemiddelde loonstijging is 2,4%
A
Nivellering
B
Denivellering

Slide 9 - Quiz

De hoogste schijf van het belastingstelsel wordt verlaagd van 52% naar 49,5%
A
Nivellering
B
Denivellering

Slide 10 - Quiz

Maatregelen overheid mbt nivellering / denivellering
Tertiaire inkomensverdeling:

- wie betalen in verhouding de meeste indirecte belastingen?
- wie profiteren in verhouding het meeste van overheidsvoorzieningen?

Slide 11 - Slide

Tertiaire inkomensverdeling:
Lagere inkomensgroepen sparen een ...(1) deel van hun inkomen en betalen dus in verhouding ...(2) indirecte belastingen
A
1> kleiner 2> minder
B
1> kleiner 2> meer
C
1> groter 2> minder
D
1> groter 2> meer

Slide 12 - Quiz

Slide 13 - Slide

Vlaktaks

B = bY
Vlaktaks 40%
B = 0,4Y

inkomen 20.000
belasting = 0,4 x 20.000 = 8.000
inkomen 40.000
belasting = 0,4 x 40.000 = 16.000
Vast belastingpercentage met belastingvrije som is progressief

B = b ( Y - 12.500 )
B = 0,4 ( Y - 12.500 )

inkomen 20.000
belasting = 0,4 x 7.500 = 3.000
inkomen 40.000
belasting = 0,4 x 37.500 = 15.000

Slide 14 - Slide

Bij deze progressieve belastingheffing in Nederland betalen mensen in verhouding meer belasting als zij een hoger inkomen hebben. Dat is te verkennen aan de oplopende belastingpercentages in de belastingschijven.

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Progressief belastingstelsel:



Slide 17 - Slide

Marginaal tarief
Het marginaal tarief is het tarief dat je over je laatste euro aan belasting betaald.
Oftewel het percentage van de hoogste schijf, waarin iemand met zijn inkomen valt. 

Het marginaal tarief wordt dan steeds hoger bij een progressief belastingstelsel, waardoor er sprake is van nivellering.

Slide 18 - Slide

Degressief belastingstelsel:

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Heffingskorting
Over belastingbedrag krijgt iedereen nog een korting: de algemene heffingskorting. Ook kan je nog korting krijgen als je bijvoorbeeld werkt. De korting mag je van het belastingbedrag aftrekken. 

Ook de heffingskorting zorgt voor nivellering. 

Slide 22 - Slide

De heffingskorting werkt nivellerend omdat de heffingskorting eenzelfde bedrag is, wat dus relatief hoger is voor iemand met een laag inkomen dan voor iemand met een hoog inkomen.

Slide 23 - Slide

Voorbeeld 
Stel dat De Vries en Klaasen beide hetzelfde bedrag aan heffingskorting krijgen; stel €3.000

Slide 24 - Slide

Voorbeeld 
Stel dat De Vries en Klaasen beide hetzelfde bedrag aan heffingskorting krijgen; stel €3.000

Slide 25 - Slide

Aftrekposten
De bekendste aftrekpost is de hypotheekrenteaftrek
De betaalde hypotheekrente mag van het belastbaar inkomen worden afgetrokken, waardoor je minder belasting betaalt.

Dit werkt denivellerend:
- hogere inkomensgroepen hebben vaker een koophuis
- hogere inkomensgroepen hebben een duurder huis en betalen meer rente
- hogere inkomensgroepen besparen een hoger percentage belasting

Slide 26 - Slide

De hypotheekrente is nog maar aftrekbaar tot een maximumlening van € 300.000,-
A
Nivellering
B
Denivellering

Slide 27 - Quiz

Internationale inkomensverschillen:
Burundi € 800,- stijgt naar € 820,-
Luxemburg € 40.000,- stijgt naar € 42.640,-

Internationale nivellering, Convergentie
of
Internationale denivellering, Divergentie

Slide 28 - Slide

Internationale inkomensverschillen:
Burundi € 800,- stijgt naar € 820,- ( + 2,5%)
Luxemburg € 40.000,- stijgt naar € 42.640,- ( + 6,6%)
Kengetal: nat.ink.per hoofd Lux / nat.ink. per hoofd Bur

40.000 / 800 = 50
42.640 / 820 = 52, dus divergentie

Slide 29 - Slide

De inkomensverdeling binnen ontwikkelingslanden is vaak ...
A
schever
B
minder scheef

Slide 30 - Quiz

Oorzaken schevere inkomensverdeling ontwikkelingslanden:
- grotere machts- en vermogensverschillen ( prim. )
- laag opleidingsniveau en arbeidsproductiviteit ( prim. )
- hoge werkloosheid ( prim. )
- beperkt stelsel sociale zekerheid ( secund. )
- degressief belastingstelsel ( secund. )

Slide 31 - Slide

Hw.
Opgaven 14.11 en 14.15

Slide 32 - Slide