Havo 3 Samenvatting+extra oefenen grammatica Theme 2+Theme 3

Havo 3 Samenvatting + extra oefenen grammatica Theme 2+Theme 3

In deze LessonUp vind je alle grammatica (samengevat en kort uitgelegd) die jij moet kennen voor Proefwerk over Theme 2 en Theme 3. Ook kun je gebruik maken van vele uitleg filmpjes, extra oefeningen en Quizlet. Good luck!
1 / 19
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 19 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Havo 3 Samenvatting + extra oefenen grammatica Theme 2+Theme 3

In deze LessonUp vind je alle grammatica (samengevat en kort uitgelegd) die jij moet kennen voor Proefwerk over Theme 2 en Theme 3. Ook kun je gebruik maken van vele uitleg filmpjes, extra oefeningen en Quizlet. Good luck!

Slide 1 - Slide

Grammar recap Themes 2+3
  • nor/neither, either, so
  • prepositions of direction
  • MODALS
  • RELATIVE CLAUSES
  • PASSIVE
  • BOTH/EITHER/NEITHER/EACH
  • Grammar practice (individually)
  • Portfolio



Theme 2
Theme 3

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Wanneer gebruik je SO ?
Je gebruikt so om te zeggen dat iets ook voor jou geldt.
Wanneer gebruik je NEITHER/NOR of EITHER?
Je gebruikt NEITHER/NOR of EITHER om te zeggen dat iets ook niet voor jou geldt.
Het onderwerp en persoonsvorm wisselen ook hier van plaats.
Look at more examples
and read the explanation in Dutch.

Slide 4 - Slide

Make sure you know the meaning of each word in bold (vetgedrukt woord)! 

Slide 5 - Slide

More grammar explanation? Watch the videos below.




More practice? Try these online exercises(click on exercise):
Exercise 1 - So/Neither/Nor/Either
Exercise 2 - So/Neither
Exercise 3 - Prepositions of direction(movement) 

            SO/NEITHER/NOR/EITHER

Prepositions of direction

Slide 6 - Slide

Must, have to, should, ought to

must (not)-> moeten/niet mogen. Jij vindt dat iets (niet) moet.

has to / have to-> moeten-> zekerheid, noodzaak of verplichting (iets moet van iemand anders)
don't have to / doesn't have to-> niet hoeven, het is geen verplichting

should (not)-> zou moeten. Je geeft advies of raadt iets af. 
ought to-> zou moeten. Je geeft advies(erg formeel).


Slide 7 - Slide

1. More grammar explanation? Watch the videos below.




2. More practice? Try this online exercise
 (click on exercise):
Exercise 1 - Choose the correct modals


            Modals 

MUST/SHOULD/HAVE TO
  •  Study: Words from  Theme 2 (click here to practise them with Quizlet)

Slide 8 - Slide

Find this Grammar explanation on p. 43 of your Textbook.

Slide 9 - Slide

Relative clauses(Bezittelijke bijzinnen)samengevat:
This is the bike which was hit in the accident. -> dingen
The thief who robbed him was sent to prison. -> personen
This is the man (that) I saw yesterday. -> personen (dieren/dingen); informeel
Robert, whose bag was stolen, reported this to the police. -> geeft bezit aan

This house, which was built last year, is hard to break into.-> extra informatie, (de bijzin which was built last year  kan weggelaten worden en staat daarom tussen komma's)

Slide 10 - Slide

Passive (lijdende vorm)

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

uitleg
In de 'active' zinnen staat eerst een onderwerp, dan een persoonsvorm en dan een voorwerp
uitleg
In de 'passive' zinnen staat eerst een voorwerp(een persoon die iets ondergaat of een voorwerp waarover het gaat), dan een persoonsvorm en dan iets of iemand die handelt in de zin. De laatste wordt vaak weggelaten.

Slide 13 - Slide

Als je een zin met een hulpwerkwoord maakt, zoals can, could, must, may, might, dan gebruik je daarna het hele werkwoord van to be.


My phone must be stolen.
The door can be locked now.

Slide 14 - Slide

Need some more explanation about Passive?


More practice on Passive? Do the exercises below(click on Exercise):
1. Exercise 1 - Passive of Present Simple 
2. Exercise 2 - Passive of Past Simple

Slide 15 - Slide

both, either, neither, each, every, all, none
BOTH            
EITHER
NEITHER

EACH
EVERY
ALL

NONE

beide
elk van beide
geen van beide




elk(nadruk op individuele dingen)
elk(nadruk op geheel)
al, alle
geen, niemand
het gaat om 2 personen, dieren of dingen
het gaat om meer dan 2 personen, dieren of dingen

Slide 16 - Slide

Practice
Grammar exercises (both,either,neither) -> click here
Grammar exercises (all,every,each,non,either,neither,most...)-> click here

Slide 17 - Slide

Study irregular verbs op page 175 of your Coursebook:
to build t/m to get

Slide 18 - Slide

  •  Study: Words from  Theme 2 (click here to practise them with Quizlet)
  •  Study: Words from  Theme 3 (click here to practise them with Quizlet)

Slide 19 - Slide