Paragraaf 1.1 - Een nieuw vak

1.1 Een nieuw vak
1 / 18
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 5 min

Items in this lesson

1.1 Een nieuw vak

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
1.1.1 Je kunt beschrijven waar het vak nask over gaat.
1.1.2 Je kunt uitleggen wat een natuurverschijnsel is.
1.1.3 Je kunt beschrijven waar het vak biologie over gaat.
1.1.4 Je kunt met voorbeelden het verschil tussen natuurkunde en scheikunde uitleggen.


Slide 2 - Slide

Introductie
Dit nieuwe vak heet NaSk. Nask staat voor NAtuurkunde en ScheiKunde. Bij natuurkunde en scheikunde kijk je naar de wereld om je heen.

Slide 3 - Slide

Wat om je heen gebeurt

Nask betekent natuurkunde en scheikunde. 
Het vak nask gaat over dingen die om je heen gebeuren. Bijvoorbeeld:
• bliksem tijdens onweer (afbeelding 1);
• bellen met een mobieltje (afbeelding 2);
• water koken;
• een fietsband oppompen;
• geluid dat uit je oortjes komt;
• een spijker die roest (afbeelding 3).
Al deze dingen hebben te maken met natuurkunde en scheikunde.

Slide 4 - Slide

Bij nask kijk je WEL / NIET naar de wereld om je heen
A
wel
B
niet

Slide 5 - Quiz

Slide 6 - Slide

Natuur


Bliksem, stoffen, water, licht en geluid komen voor in de natuur. Natuurverschijnselen zijn dingen die gebeuren in de natuur. Bij nask leer je hoe deze natuurverschijnselen werken.

Ook het vak biologie gaat over de natuur. Maar biologie gaat over de levende natuur, dus over mensen, dieren en planten. Natuurkunde en scheikunde gaan over de niet-levende natuur.

Slide 7 - Slide

Licht is WEL / NIET een natuurverschijnsel.
A
wel
B
niet

Slide 8 - Quiz

Elektriciteit hoort bij....................
A
BIOLOGIE
B
NASK

Slide 9 - Quiz

Stoffen veranderen


Water, hout en steen zijn stoffen uit de natuur. Stof betekent: waarvan het gemaakt is.
 Water is een vloeistof. In nat wasgoed zit water. Als je de was te drogen hangt, dan gaat het water uit de was. Het water verandert in waterdamp. Waterdamp is een gas dat je niet kunt zien.
Als het vriest, dan verandert water in ijs (afbeelding 4). IJs is een vaste stof. Water kan dus veranderen in waterdamp of in ijs. Waterdamp en ijs zijn allebei water, maar in een andere toestand. Van waterdamp en ijs kun je weer water maken.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Stoffen kunnen ook op een andere manier veranderen. Hout kan verbranden. Het hout verandert dan in houtskool, as en rook (afbeelding 5). Van houtskool, as en rook kun je geen hout meer maken. Het hout is voor altijd veranderd in andere stoffen.


Een stof kan dus op twee manieren veranderen:
• De stof verandert van toestand. Bijvoorbeeld: water bevriest en wordt ijs. De stof kan ook weer terugveranderen: als je ijs verwarmt, krijg je weer water. Dit hoort bij natuurkunde.
• De stof verandert in een andere stof. Bijvoorbeeld: hout wordt as. Van as kun je geen hout meer maken (de oorspronkelijke toestand). De stof hout is een andere stof geworden. Dit hoort bij scheikunde.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Als een stof verandert in andere stoffen, dan is dat .........................
A
NATUURKUNDE
B
SCHEIKUNDE

Slide 14 - Quiz

Hoort de zin bij natuurkunde of bij scheikunde?
Water bevriest in de koelkast
A
natuurkunde
B
scheikunde?

Slide 15 - Quiz

Hoort de zin bij natuurkunde of bij scheikunde?
Het kaarsvet van een brandende kaars verbrandt.
A
natuurkunde
B
scheikunde?

Slide 16 - Quiz

Onthoud
Natuurkunde en scheikunde gaan over natuurverschijnselen in de niet-levende natuur.
Biologie gaat over de levende natuur, dus over mensen, dieren en planten.

Natuurkunde en scheikunde gaan ook over stoffen.
Bij natuurkunde veranderen stoffen van toestand.
Bij scheikunde veranderen stoffen in andere stoffen.

Slide 17 - Slide

Opdrachten
Wat: lees paragraaf 1.1 
Huiswerk: opdrachten 1 t/m 12 van paragraaf 1.1 & Test jezelf
Hoe: helemaal stil! muziek mag in!
Hulp: Geen
Tijd: 50 minuten lang
Klaar?: ga bezig met een ander vak! 

Slide 18 - Slide