In periode 1 maken leerlingen kennis met de basis van maatschappijleer. De periode start met de vraag wat maatschappijleer is en hoe mensen samenleven in een samenleving. Leerlingen leren over omgangsvormen, regels, waarden, normen, belangen en belangentegenstellingen. Daarna wordt ingegaan op socialisatie, cultuur en de multiculturele samenleving, waarbij leerlingen ontdekken hoe mensen worden gevormd door hun omgeving en hoe cultuur wordt overgedragen.
Vervolgens verdiepen leerlingen zich in gelijke kansen en sociale ongelijkheid. Ze leren hoe maatschappelijke posities ontstaan, wat vooroordelen en discriminatie zijn en welke rol de overheid speelt bij het bestrijden van ongelijkheid. In deze periode werken leerlingen ook aan een eindopdracht over cultuur, waarin zij de behandelde begrippen toepassen.
Aan het einde van de periode verschuift de focus naar het thema werk. Leerlingen leren waarom mensen werken, wat sociale verschillen zijn, welke rol de overheid heeft bij werk en sociale zekerheid, en hoe je aan werk of een stageplek kunt komen. De periode wordt afgesloten met herhaling, een SO over werk en de toetsweek.