Oefenexamen VWO - Molecuul- en celniveau (M)

Oefenexamen VWO — Biologie

Molecuul- en celniveau (M) — 10 vragen — ca. 26 punten


1 / 11
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 11 diapositives, avec quiz interactifs et diapositive de texte.

Introduction

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Éléments de cette leçon

Oefenexamen VWO — Biologie

Molecuul- en celniveau (M) — 10 vragen — ca. 26 punten


Vraag 1 (3p)

Bekijk de afbeelding van een DNA-molecuul.
DNA en RNA zijn beide nucleinezuren maar verschillen in bouw.
a) Noem twee structurele verschillen tussen DNA en RNA. (1p)
b) Leg uit welke functie elk van de drie typen RNA (mRNA, tRNA, rRNA) heeft bij de eiwitsynthese. (2p)

Vraag 2 (3p)

Bekijk de afbeelding van een DNA-molecuul.
Bij de eiwitsynthese wordt genetische informatie vertaald in een eiwit.
a) Beschrijf de processen van transcriptie en translatie. (2p)
b) Leg uit hoe de aminozuurvolgorde (primaire structuur) de uiteindelijke vorm en functie van een eiwit bepaalt. (1p)

Vraag 3 (3p)

Een eukaryote cel bevat veel verschillende organellen.
a) Noem drie celorganellen die je alleen in eukaryote cellen aantreft en geef van elk de functie. (1p)
b) Leg uit hoe het principe van terugkoppeling bijdraagt aan de homeostase van de cel. (1p)
c) Leg uit wat het verschil is tussen een prokaryote en een eukaryote cel. Noem twee verschillen. (1p)

Vraag 4 (2p)

Bij het transport van stoffen door de celmembraan spelen fosfolipiden een belangrijke rol.
a) Leg uit waarom de fosfolipide-dubbellaag selectief doorlaatbaar is. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen osmose en actief transport. (1p)

Vraag 5 (3p)

Bekijk de afbeelding van een plant.
Assimilatie en dissimilatie zijn twee centrale processen in de cel.
a) Beschrijf in hoofdlijnen hoe fotosynthese verloopt. Noem de lichtreactie en de donkerreactie. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen aerobe en anaerobe dissimilatie. Noem bij elk het eindproduct. (1p)
c) Leg uit met behulp van een reactievergelijking hoe de energie-omzetting bij aerobe dissimilatie verloopt. (1p)

Vraag 6 (3p)

Bij eukaryoten is het grootste deel van het DNA niet-coderend.
a) Leg uit wat introns en exons zijn en wat er bij splicing gebeurt. (1p)
b) Leg uit hoe genregulatie bij eukaryoten verschilt van die bij prokaryoten. Noem een voorbeeld van epigenetische regulatie. (1p)
c) Leg uit waarom in verschillende celtypen verschillende eiwitten worden gemaakt, ondanks dat alle cellen hetzelfde genotype hebben. (1p)

Vraag 7 (2p)

Stamcellen hebben bijzondere eigenschappen.
a) Leg uit wat een stamcel onderscheidt van een gedifferentieerde cel. (1p)
b) Leg uit wat apoptose is en waarom dit proces belangrijk is bij de ontwikkeling van een organisme. (1p)

Vraag 8 (2p)

Cellen communiceren met elkaar via signaalstof en receptoren.
a) Beschrijf het proces van signaaloverdracht bij een synaps. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen een steroidhormoon en een peptidehormoon wat betreft de werking op de cel. (1p)

Vraag 9 (3p)

Bij een monohybride kruising wordt een eigenschap bepaald door een gen met twee allelen.
a) Leg uit het verschil tussen genotype en fenotype. (1p)
b) Bij een kruising tussen twee heterozygote ouders (Aa x Aa): geef de genotypeverhouding en fenotypeverhouding van de nakomelingen. (1p)
c) Leg uit wat X-chromosomale overerving inhoudt en waarom bepaalde aandoeningen vaker bij mannen voorkomen. (1p)

Vraag 10 (2p)

Mutaties en recombinatie zijn bronnen van genetische variatie.
a) Noem twee typen mutaties en leg uit hoe een frameshift-mutatie de eiwitsynthese verstoort. (1p)
b) Leg uit hoe bij meiose door crossing-over nieuwe combinaties van allelen ontstaan. (1p)