Oefenexamen VWO - Populatie- en ecosysteemniveau (P)

Oefenexamen VWO — Biologie

Populatie- en ecosysteemniveau (P) — 10 vragen — ca. 26 punten


1 / 11
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 11 diapositives, avec quiz interactifs et diapositive de texte.

Introduction

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Éléments de cette leçon

Oefenexamen VWO — Biologie

Populatie- en ecosysteemniveau (P) — 10 vragen — ca. 26 punten


Vraag 1 (3p)

Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
In een ecosysteem stroomt energie van producenten naar consumenten.
a) Leg uit wat het verschil is tussen BPP (bruto primaire productie) en NPP (netto primaire productie). (1p)
b) Leg uit waarom er op elk hoger trofisch niveau minder energie beschikbaar is. (1p)
c) Beredeneer hoe de mens ecosystemen kan beinvloeden met keuzes op het gebied van energiegebruik. (1p)

Vraag 2 (3p)

Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
Kringlopen zijn essentieel voor het functioneren van ecosystemen.
a) Beschrijf de rol van producenten, consumenten en reducenten in de koolstofkringloop. (1p)
b) Beschrijf twee processen uit de stikstofkringloop (nitrificatie, denitrificatie, stikstofbinding). (1p)
c) Leg uit hoe menselijk handelen de stikstofkringloop kan verstoren en welk gevolg dit heeft. (1p)

Vraag 3 (2p)

In een ecosysteem spelen biotische en abiotische factoren een rol.
a) Noem twee biotische en twee abiotische factoren die de dynamiek van een ecosysteem bepalen. (1p)
b) Leg uit wat het verschil is tussen een habitat en een niche. (1p)

Vraag 4 (3p)

Bekijk de afbeelding van een koraalrif.
Ecosystemen ontwikkelen zich door successie.
a) Leg uit het verschil tussen een pioniersoort en een climaxecosysteem. (1p)
b) Leg uit wat draagkracht inhoudt en hoe een beperkende factor de draagkracht bepaalt. (1p)
c) Beschrijf hoe een ecosysteem een omslagpunt kan bereiken en wat de gevolgen zijn. (1p)

Vraag 5 (3p)

Bekijk de afbeelding van een koraalrif.
Voedselrelaties vormen de basis van ecosystemen.
a) Noem drie typen relaties die in een voedselweb voorkomen. Beschrijf elk kort. (1p)
b) Leg uit waarom de accumulatie van schadelijke stoffen (zoals microplastic) toeneemt op hogere trofische niveaus. (1p)
c) Leg uit hoe biologische landbouw bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. (1p)

Vraag 6 (3p)

In een populatie verandert de genetische variatie door willekeurige processen.
a) Leg uit wat genetic drift inhoudt en noem twee factoren die de invloed van drift vergroten. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen het stichtereffect en het flessenhalseffect. (1p)
c) Gebruik de regel van Hardy-Weinberg om uit te leggen onder welke voorwaarden allelfrequenties in een populatie constant blijven. (1p)

Vraag 7 (2p)

Natuurlijke selectie is de drijvende kracht achter evolutie.
a) Leg uit wat adaptatie is en hoe natuurlijke selectie leidt tot aanpassing van populaties aan hun omgeving. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen natuurlijke selectie, kunstmatige selectie en seksuele selectie. (1p)

Vraag 8 (3p)

Soortvorming is het ontstaan van nieuwe soorten door reproductieve isolatie.
a) Leg uit het verschil tussen allopatrische en sympatrische soortvorming. (1p)
b) Leg uit wat een cladogram weergeeft en hoe verwantschap wordt afgeleid. (1p)
c) Leg uit hoe DNA-analyse kan worden gebruikt om de verwantschap tussen soorten vast te stellen. (1p)

Vraag 9 (2p)

Bekijk de afbeelding van een bosecosysteem.
De mens beinvloedt ecosystemen op verschillende manieren.
a) Leg uit hoe de introductie van een exoot een ecosysteem kan verstoren. (1p)
b) Leg uit welke rol natuurbeheer kan spelen bij het in stand houden van biodiversiteit. (1p)

Vraag 10 (2p)

Bekijk de afbeelding van een koraalrif.
Klimaatverandering bedreigt ecosystemen wereldwijd.
a) Leg uit hoe klimaatverandering de koolstofkringloop verstoort. (1p)
b) Leg uit waarom koraalriffen extra kwetsbaar zijn voor klimaatverandering. (1p)