AFTER HOURS · SESSIE 2
Na middernacht
Jamsessies in Harlem, de clubs van 52nd Street en een conga in de bigband.
1
AFTER HOURS · SESSIE 2
Na middernacht
Jamsessies in Harlem, de clubs van 52nd Street en een conga in de bigband.
1
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
LINER NOTES · LEERDOEL
Na deze les kun je…
uitleggen hoe de jazz tussen 1940 en 1960 veranderde van dansmuziek voor bigbands naar muziek om naar te luisteren, en de stijlen bebop, cool, hard bop en modale jazz aan hun kenmerken en musici herkennen.
CENTRALE VRAAG
Wat gebeurde er met de jazz toen musici na sluitingstijd voor elkaar gingen spelen?
Cet élément n'a pas d'instructions
Een kleine club, diep in de nacht, een jazzband speelt. Welke klanken, instrumenten of beelden komen bij je op?
Bewaar het woordweb. In deze les blijkt dat de moderne jazz precies zo begon: in kleine clubs in Harlem en op 52nd Street, na middernacht, met musici die voor elkaar speelden. Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
INLEIDING · 1940-1960
Na middernacht
’s Avonds speelden de beste jazzmusici in bigbands voor dansers. Na sluitingstijd speelden ze in kleine clubs voor elkaar. Daar ontstond een nieuwe jazz: sneller, harmonisch rijker en bedoeld om naar te luisteren.
Foto: 52nd Street, New York, 1948. In twintig jaar werd de bebop in steeds nieuwe richtingen uitgewerkt: de zachtere klank van Miles Davis en Gil Evans, de lichte jazz van Californië, de terugkeer naar blues en gospel aan de oostkust (met Blue Note), en aansluiting bij Cubaanse dansmuziek en Europese concertmuziek. Het verhaal eindigt in 1959 met Kind of Blue en Giant Steps. De combo van vier of vijf musici, de vorm met thema en solo’s en het repertoire van standards en eigen composities zijn nog altijd de basis van wat op conservatoria en in jazzclubs wordt gespeeld. Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 1 · TAKE 01 · 1940-1944 · HARLEM, NEW YORK
Na sluitingstijd bij Minton’s
Minton’s Playhouse in Harlem: een huisband met drummer Kenny Clarke en pianist Thelonious Monk
Jamsessies en cutting sessions: wie het niet bijhoudt, wordt van het podium ‘gesneden’
Clarke houdt de puls op het bekken, de bassdrum geeft onverwachte accenten
Opnameverbod 1942-1944: juist toen de stijl ontstond, kwamen er geen platen
Coleman Hawkins
Charlie Christian
Swing to Bop
Coleman Hawkins
Woody'n You
Foto: Coleman Hawkins in de Spotlite, 1946. Minton’s zat in het Hotel Cecil aan West 118th Street; bedrijfsleider Teddy Hill (vanaf eind 1940) gaf musici uit zijn oude bigband werk, onder wie Kenny Clarke en Joe Guy. Op maandag waren de artiesten van het Apollo Theater te gast; ook Lester Young, Ben Webster, Roy Eldridge en Hawkins schoven aan. Monk en Clarke speelden standards in hoog tempo met nieuwe, ingewikkelde akkoorden, om ongenode gasten buiten te houden. Clarkes bijnaam Klook zou een nabootsing van zo’n onverwachte slag zijn. Charlie Christian (1916-1942), gitarist van Benny Goodman, was een van de eersten met een elektrische gitaar met versterker; student Jerry Newman nam in 1941 sessies op, waaronder Swing to Bop (op Topsy). Christian overleed op 2 maart 1942 aan tuberculose, 25 jaar oud. Het opnameverbod van de AFM: augustus 1942, Decca akkoord in september 1943, Columbia en Victor in november 1944. Hawkins (geb. 1904) maakte de tenorsax tot soloinstrument; Body and Soul (1939): twee chorussen improvisatie over de akkoorden. Een chorus is één keer de volledige vorm (hier 32 maten). In februari 1944 nam hij voor Apollo op met Gillespie, Oscar Pettiford en Max Roach, onder meer Woody’n You van Gillespie: vaak genoemd als de eerste studio-opname van bebop.
Luistertips:
Charlie Christian – Swing to Bop: Luister naar de lange lijnen van de elektrische gitaar: hier speelt de gitaar als een blazer.
Coleman Hawkins – Woody'n You: Let op het thema dat de blazers samen spelen: een melodie die eerder op een solo lijkt dan op een liedje.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 1 · TAKE 02 · 1937-1955 · KANSAS CITY, NEW YORK
Bird
Kansas City in de jaren dertig: clubs tot de ochtend, muziek op blues en riffs
Parker oefent maandenlang en leert de solo’s van Lester Young uit zijn hoofd
Cherokee, 1939: de hoge tonen van een akkoord (9, 11, 13) als melodielijn
Ko-Ko (1945): geen eigen thema, alleen intro, solo’s en slot
Charlie Parker
Jay McShann & Charlie Parker
Hootie Blues
Charlie Parker
Ko-Ko
Parker werd op 29 augustus 1920 in Kansas City geboren. Riff: kort, herhaald figuur dat een blazersgroep achter een solist speelt. Volgens een bekend verhaal gooide Jo Jones van de Basie-band in 1936 of 1937 een bekken voor zijn voeten. Hij oefende daarna in alle twaalf toonsoorten. Vanaf 1938 in de band van Jay McShann; Hootie Blues (30 april 1941, Dallas, Decca), gezongen door Walter Brown. In New York naar Minton’s en Monroe’s Uptown House; 1943 bigband van Earl Hines met Gillespie (geen studio-opnames door het opnameverbod), 1944 Billy Eckstine. Bijnaam Yardbird, ingekort tot Bird. Op 26 november 1945 zijn eerste eigen sessie voor Savoy met de negentienjarige Miles Davis, Curly Russell en Max Roach: Now’s the Time, Billie’s Bounce en Ko-Ko. Gillespie speelde het snelle intro en slot; Parker soleert twee chorussen in een tempo ver boven 250 slagen per minuut. Kernzin: de improvisatie zelf is het stuk geworden. Verslaafd aan heroïne en alcohol; in 1946 een halfjaar in het Camarillo State Hospital (Relaxin’ at Camarillo, 1947). In december 1949 opende Birdland. Parker overleed op 12 maart 1955 in de hotelsuite van Pannonica de Koenigswarter, 34 jaar oud.
Luistertips:
Jay McShann & Charlie Parker – Hootie Blues: De blues uit Kansas City: wacht op de altsaxofoonsolo, de eerste solo van Parker op een commerciële plaat.
Charlie Parker – Ko-Ko: Een razend snel stuk op de akkoorden van Cherokee: probeer de puls te tellen onder de solo.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
Waarom laat Ko-Ko (1945) horen waar bebop om draait?
Parker speelt de melodie van Cherokee heel precies
Er is geen eigen thema: de improvisatie zelf is het stuk
Het tempo is rustig, zodat je erop kunt dansen
Een bigband speelt uitgeschreven partijen
B. Ko-Ko gebruikt de akkoorden van Cherokee, maar Parker speelt niet de melodie en zelfs geen eigen thema. Er is alleen een kort intro, de solo’s en het slot, in een tempo ver boven de 250 slagen per minuut.
Luistertips:
Charlie Parker – Ko-Ko: Ko-Ko: intro, twee chorussen solo, slot.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 1 · TAKE 03 · 1944-1948 · 52ND STREET, PARIJS
Dizzy en de Street
52nd Street, ‘the Street’: tientallen kleine clubs in één huizenblok
1944: Gillespie met Oscar Pettiford in de Onyx, de eerste bopgroep met een vast engagement
Salt Peanuts (1945): een unisono thema en een gezongen octaafsprong
1946: een bigband die bebop speelt, in 1948 op tournee door Europa
Dizzy Gillespie
Dizzy Gillespie & Charlie Parker
Salt Peanuts
Dizzy Gillespie Big Band
Things to Come, live in Parijs
Gillespie (21 oktober 1917, Cheraw, South Carolina) had Roy Eldridge als voorbeeld en speelde 1939-1941 bij Cab Calloway, waar Mario Bauzá hem binnenhaalde. Aan de piano liet hij zien welke akkoorden hij bedoelde en hoe je een akkoord kon vervangen; veel bopmusici leerden de nieuwe harmonie van hem. Clubs op 52nd Street: de Onyx, Three Deuces, Famous Door, Spotlite, Downbeat, Kelly’s Stable. ‘Bebop’ zou de korte, scherpe slotnoten van boplijnen nabootsen. Februari 1945: Groovin’ High, een contrafact op Whispering. 11 mei 1945 (Guild, met Al Haig, Curly Russell, Sid Catlett): Shaw ’Nuff, Hot House, Salt Peanuts. Unisono: precies dezelfde melodie tegelijk. December 1945 in Los Angeles (Billy Berg): koel publiek, Parker bleef achter. De bigband van ongeveer zeventien musici speelde arrangementen van Gil Fuller en Gillespie, zoals Things to Come (1946). Op 28 februari 1948 in de Salle Pleyel in Parijs; enthousiast ontvangen, al vonden sommige Franse critici het geen echte jazz meer. Baret, sikje en hoornen bril werden het uniform van de bopper.
Luistertips:
Dizzy Gillespie & Charlie Parker – Salt Peanuts: Het octaafsprongetje van het thema wordt gezongen: hoor hoe een grap een herkenningsteken wordt.
Dizzy Gillespie Big Band – Things to Come, live in Parijs: Dezelfde bigband live in Parijs: let op het tempo waarin de secties samen spelen.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 1 · TAKE 04 · 1944-1959 · NEW YORK, PARIJS
Monk en Powell
Monk: schurende kleine secundes, loopjes in de hele-toonstoonladder, onverwachte stiltes
’Round Midnight: een ballad in mineur, door Monk zelf opgenomen in 1947 voor Blue Note
Powell speelt met zijn rechterhand lange lijnen als een blazer
Zijn linkerhand speelt shell voicings: uitgedunde akkoorden van twee of drie tonen
Thelonious Monk
'Round Midnight
Luister naar de akkoorden onder de melodie: elke maat een nieuwe, onverwachte kleur.
Bud Powell
Un Poco Loco
Powells rechterhand speelt als een blazer, terwijl drummer Max Roach een Latijns patroon op de koebel slaat.
Monk (10 oktober 1917, Rocky Mount, North Carolina) groeide op in San Juan Hill, reisde als tiener twee jaar mee met een predikante en werd huispianist van Minton’s. Zijn bijdrage lag in harmonie en composities. ’Round Midnight werd eerst opgenomen door Cootie Williams (1944) met de jonge Bud Powell; Monks eigen opname 21 november 1947, kort nadat Blue Note hem als eerste een contract gaf. Verder Ruby, My Dear, Well, You Needn’t, Misterioso. In 1951 verloor hij na een drugsarrestatie zijn cabaret card en mocht hij zes jaar niet in de clubs van New York spelen; in 1957 terug, in de Five Spot met John Coltrane. Powell (27 september 1924, Harlem): Monk nam hem onder zijn hoede (In Walked Bud). Un Poco Loco (1951, Blue Note, met Curly Russell en Max Roach), drie takes uitgebracht. In 1945 door de politie in Philadelphia mishandeld, daarna herhaaldelijk opgenomen, met elektroshocks. In 1959 naar Parijs, club Blue Note met Kenny Clarke. Overleden 1966 in New York. De film ’Round Midnight (1986, Tavernier, met Dexter Gordon) is losjes op zijn Parijse jaren gebaseerd. Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 1 · TAKE 05 · 1945-1957 · HARLEM, NEW YORK
Mary Lou Williams
Pianiste en arrangeur bij Andy Kirk, ouder dan de meeste bopmusici
Haar appartement in Harlem: ’s nachts een ontmoetingsplek voor Monk, Powell, Gillespie en Parker
Zodiac Suite (1945): twaalf karakterstukken, tussen jazz en klassiek in
Sarah Vaughan en Ella Fitzgerald zingen als blazers, Ella met scat
Melba Liston: trombonist en arrangeur bij Gillespie
Mary Lou Williams
Aries, uit de Zodiac Suite
Sarah Vaughan & Dizzy Gillespie
Lover Man
Ella Fitzgerald
How High the Moon
Foto: Mary Lou Williams thuis met Milt Orent, Tadd Dameron en Dizzy Gillespie, 1947. Williams (8 mei 1910, Atlanta; opgegroeid in Pittsburgh) was vanaf 1929 pianiste en arrangeur van Andy Kirk and his Twelve Clouds of Joy; schreef Froggy Bottom en Walkin’ and Swingin’, arrangeerde voor Benny Goodman en Earl Hines, voor Ellington Trumpet No End (1946). Ze verbond de wereld van de swing met die van de bop. Zodiac Suite: één stuk per teken, opgedragen aan musici als Billie Holiday en Art Tatum; trio met Al Lucas en Jack Parker; 31 december 1945 in de Town Hall met orkest en Ben Webster. Karakterstuk: kort instrumentaal stuk dat één stemming of figuur uitbeeldt. Vooruitlopen op third stream (Take 09). In the Land of Oo-Bla-Dee voor Gillespie (1949). In 1954 stopte ze midden in een optreden in Parijs, bekeerde zich met Lorraine Gillespie tot het katholicisme, richtte de Bel Canto Foundation op; in 1957 terug met Gillespie op Newport. Sarah Vaughan (27 maart 1924, Newark): won in 1942 de amateuravond van het Apollo, 1943 bij Earl Hines, daarna Billy Eckstine; Lover Man op 11 mei 1945. Ella Fitzgerald (25 april 1917) zong bij Chick Webb, trok 1946-1947 mee met Gillespie, trouwde in 1947 met Ray Brown. How High the Moon (december 1947, Decca): Parkers Ornithology is op dezelfde akkoorden geschreven. Weinig vrouwelijke instrumentalisten: clubs, labels en bandleiders gaven vrouwen vooral werk als zangeres of pianiste. Melba Liston (1926, Kansas City) vanaf 1948 bij Gillespie, ook op de tournees van 1956 en 1957.
Luistertips:
Mary Lou Williams – Aries, uit de Zodiac Suite: Het eerste deel van de Zodiac Suite: jazzpiano die denkt in de vorm van een klassiek karakterstuk.
Sarah Vaughan & Dizzy Gillespie – Lover Man: Sarah Vaughan zingt met Gillespie en Parker: hoor hoe ze de melodie vrij buigt, als een blazer.
Ella Fitzgerald – How High the Moon: Ella improviseert met lettergrepen: hoor hoe haar stem de rol van een blazer overneemt.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 1 · TAKE 06 · 1940-1950 · HAVANA, NEW YORK
Cubop
Machito en Mario Bauzá richten in 1940 Machito and His Afro-Cubans op
Een Cubaanse ritmesectie (conga, bongo, timbales, piano) met de blazers van een jazzband
Basis is de clave; daarboven herhalen piano en blazers een guajeo
Tanga (1943): vaak genoemd als het eerste Afro-Cubaanse jazzstuk
Parker speelt met Machito; O’Farrill schrijft de Afro-Cuban Jazz Suite (1950)
Machito & His Afro-Cubans
Tanga
Machito & Charlie Parker
Mango Mangue
Chico O'Farrill & Charlie Parker
Afro-Cuban Jazz Suite
Foto: Machito in het Glen Island Casino, 1947. Machito (Francisco Raúl Gutiérrez Grillo) groeide op in Havana en kwam in 1937 naar New York. Zwager Mario Bauzá (1911, Havana) was trompettist en muzikaal leider bij Chick Webb en speelde bij Cab Calloway, waar hij Gillespie binnenhaalde. Later zong ook Graciela, de pleegzus van Machito. Clave: vast patroon van vijf slagen over twee maten. Guajeo: herhaald ritmisch figuur van piano of blazers dat op de clave past, de motor van de muziek, vergelijkbaar met een riff. Tanga ontstond op 29 mei 1943 tijdens een repetitie in de Park Palace Ballroom; het fragment is een versie uit 1949. Cubop: samentrekking van Cubaans en bebop. In 1947 stelde Bauzá Gillespie voor aan Chano Pozo (Carnegie Hall, 29 september 1947, Cubana Be, Cubana Bop van George Russell); Pozo werd in december 1948 doodgeschoten. Mango Mangue: december 1948 voor Norman Granz. Chico O’Farrill (1921, Havana): suite van zeventien minuten, met Parker, Flip Phillips en Buddy Rich; jazz los van het nummer van drie minuten. In de jaren vijftig de mambo in de Palladium Ballroom (Machito, Tito Puente, Tito Rodríguez); daaruit kwam in de jaren zestig de salsa voort.
Luistertips:
Machito & His Afro-Cubans – Tanga: Een herhaald pianopatroon, daarboven blazers als in een jazzbigband: het herkenningsnummer van Machito.
Machito & Charlie Parker – Mango Mangue: Charlie Parker soleert boven een Cubaanse ritmesectie: twee manieren van swingen tegelijk.
Chico O'Farrill & Charlie Parker – Afro-Cuban Jazz Suite: Het begin van een suite voor Cubaanse bigband met jazzsolisten: hoor hoe Cubaanse ritmes en jazzblazers samenkomen.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
Wat is een guajeo?
Een Cubaanse trommel
Een herhaald ritmisch figuur van piano of blazers dat op de clave past
Een dans uit de Palladium Ballroom
Een snelle bopsolo over Cubaanse akkoorden
B. De guajeo is de motor van de muziek, vergelijkbaar met een riff in de jazz uit Kansas City, maar dan in het ritmische raster van de clave (vijf slagen over twee maten).
Luistertips:
Machito & His Afro-Cubans – Tanga: Tanga: luister naar het herhaalde pianopatroon.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
AFTER HOURS · SESSIE 2
Cool Jazz
Een nonet in New York, een kwartet zonder piano in Los Angeles en jazz in de concertzaal.
2
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 2 · TAKE 07 · 1941-1950 · NEW YORK, PARIJS
Een kelder aan 55th Street
Gil Evans’ kelder: ontmoetingsplek van Mulligan, Konitz, John Lewis, Russell en Miles Davis
Voorbeeld: Claude Thornhill, zachte blazers zonder vibrato, met hoorns en tuba
Het nonet van Davis (1948): zes blazers die samen één klank vormen
Boplicity (1949): solo’s en arrangement vloeien in elkaar over
Lennie Tristano: vrije improvisatie, zonder thema of akkoordenschema
Claude Thornhill
Snowfall
Miles Davis
Boplicity
Lennie Tristano
Intuition
Foto: Miles Davis in de Three Deuces, 1947. Gil Evans (13 mei 1912, Toronto, als Ian Ernest Gilmore Green) was grotendeels zelf opgeleid; vanaf 1941 arrangeerde hij voor Thornhill, na de oorlog ook bopstukken van Parker (Anthropology, Yardbird Suite). Thornhill liet saxofonisten ook klarinet spelen en zette er twee hoorns en een tuba bij. Nonet: trompet, trombone, hoorn, tuba, alt- en baritonsax, piano, bas, drums; het kleinste aantal om de Thornhill-harmonieën te spelen. September 1948 twee weken in de Royal Roost; Davis liet bij de deur de arrangeurs vermelden (Evans, Mulligan, Lewis). Pete Rugolo (Capitol) bood een contract; drie sessies (januari en april 1949, maart 1950), twaalf stukken. Boplicity op naam van ‘Cleo Henry’, een schuilnaam. In 1950 speelde Gunther Schuller hoorn. Pas in 1957 de lp Birth of the Cool. Mei 1949: Davis in Parijs (Festival International de Jazz, met Tadd Dameron), behandeld als kunstenaar, relatie met Juliette Gréco; terugkeer naar het gesegregeerde Amerika was moeilijk. Tristano (19 maart 1919, Chicago), blind, vanaf 1946 in New York; leerlingen Lee Konitz en Warne Marsh. Mei 1949: Intuition en Digression met Konitz, Marsh, Billy Bauer en Arnold Fishkin; gelden als de eerste opnames van vrije groepsimprovisatie, tien jaar voor Ornette Coleman. Intuition verscheen pas eind 1950, Digression in 1954.
Luistertips:
Claude Thornhill – Snowfall: Zachte blazers zonder vibrato, lange zwevende akkoorden: de klank waar Gil Evans van leerde.
Miles Davis – Boplicity: Een arrangement van Gil Evans: hoor hoe de solo’s naadloos overgaan in uitgeschreven passages.
Lennie Tristano – Intuition: Geen afgesproken akkoorden, geen thema, geen drummer: vijf musici improviseren tegelijk.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 2 · TAKE 08 · 1947-1958 · CALIFORNIË
Westkust
Central Avenue: bopduels; de West Coast jazz krijgt een ander, wit gezicht
Gerry Mulligan Quartet (1952): bariton en trompet, zonder piano
Chet Baker wordt een ster, ook als zanger: zacht en zonder vibrato
Art Pepper met de ritmesectie van Miles Davis (1957)
Dave Brubeck brengt jazz naar de universiteiten
Gerry Mulligan Quartet & Chet Baker
Bernie's Tune
Chet Baker
But Not for Me
Art Pepper
You'd Be So Nice to Come Home To
Foto: Dave Brubeck, 1954. Dexter Gordon en Wardell Gray: The Chase (1947). De bekendste westkustmusici waren wit, werkten vaak overdag in de studio’s van Hollywood en namen op voor kleine Californische labels. Mulligan kwam begin 1952 naar Los Angeles, arrangeerde voor Stan Kenton en speelde op maandag in The Haig; Chet Baker (23 december 1929, Yale, Oklahoma) kwam meejammen. Kwartet met Chico Hamilton en Bob Whitlock, daarna Carson Smith. Pacific Jazz (Richard Bock en Roy Harte, 1952). Bernie’s Tune is van Bernie Miller. Het publiek: jong en wit, vond bebop te heftig. Beiden verslaafd; Mulligan in 1953 gearresteerd, het kwartet viel uiteen. Chet Baker Sings (1954), But Not for Me van George en Ira Gershwin; zijn zingen was omstreden. Baker overleed op 13 mei 1988 in Amsterdam (Hotel Prins Hendrik). Lighthouse Café in Hermosa Beach: Howard Rumsey vanaf 1949, Lighthouse All-Stars met Shorty Rogers en Shelly Manne; label Contemporary van Lester Koenig. Art Pepper (1925) nam op 19 januari 1957 in één dag Art Pepper Meets the Rhythm Section op met Red Garland, Paul Chambers en Philly Joe Jones. Brubeck (6 december 1920) studeerde bij Darius Milhaud (Les Six) aan Mills College; kwartet vanaf 1951 met Paul Desmond. Jazz at Oberlin (maart 1953); november 1954 op Time, na Armstrong (1949); hij vond dat Ellington die eer eerder had verdiend. 1958 tournee voor het ministerie van Buitenlandse Zaken (Polen, Turkije, India, Iran): jazz als visitekaartje in de Koude Oorlog. Bassist Eugene Wright; Brubeck zegde optredens af als men een gemengde band weigerde. Ritmes van de reis kwamen in Time Out (1959).
Luistertips:
Gerry Mulligan Quartet & Chet Baker – Bernie's Tune: Bariton en trompet spelen om elkaar heen: hoor dat je de akkoorden niet mist.
Chet Baker – But Not for Me: Chet Baker zingt zoals hij trompet speelt: zacht, dicht bij de microfoon, bijna zonder vibrato.
Art Pepper – You'd Be So Nice to Come Home To: Een westkustsaxofonist met de ritmesectie van Miles Davis: luister hoe bas en drums hem vooruitduwen.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
Het Mulligan-kwartet speelt zonder piano. Hoe klinkt dat, en waarom sprak deze jazz een ander publiek aan dan bebop?
Goede antwoorden noemen dat bariton en trompet om elkaar heen spelen en samen de harmonie suggereren, en dat de klank licht en ontspannen is. Die klank sprak een jong, wit publiek aan dat bebop te heftig vond; de optredens in The Haig waren steeds uitverkocht.
Luistertips:
Gerry Mulligan Quartet & Chet Baker – Bernie's Tune: Bernie’s Tune: bariton en trompet zonder piano.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 2 · TAKE 09 · 1946-1960 · NEW YORK, WALTHAM, LENOX
Het MJQ en de derde stroom
Modern Jazz Quartet (1952): John Lewis, Milt Jackson op vibrafoon, Percy Heath, Kenny Clarke
Strakke composities van Lewis, zoals een fuga, tegenover het bluesrijke spel van Jackson
In smoking op concertpodia: jazz als kamermuziek
Third stream (Schuller, 1957): jazz en Europese concertmuziek komen echt samen
Percy Heath
The Modern Jazz Quartet
Django
George Russell
All About Rosie
Foto: Percy Heath van het MJQ in Amsterdam, oktober 1959. Het kwartet groeide uit de ritmesectie van Gillespies bigband (1946: Lewis, Jackson, Ray Brown, Clarke). In 1955 nam Connie Kay de plaats van Clarke in; in die bezetting tot 1974. John Lewis (3 mei 1920, La Grange; opgegroeid in Albuquerque) speelde ook op de opnames van het nonet. Milt Jackson (1 januari 1923, Detroit). Vibrafoon: metalen staven, met een motor die onder elke staaf een klep laat draaien, zodat de toon zacht trilt. Fuga: kort thema dat door verschillende stemmen na elkaar wordt ingezet en verweven; Concorde (1955). Django (december 1954) ter nagedachtenis aan Django Reinhardt (overleden mei 1953), met een sneller deel waarin wordt geïmproviseerd. Lewis schreef in 1957 de muziek voor Sait-on jamais van Roger Vadim. Gunther Schuller (22 november 1925, New York) was hoornist bij de Metropolitan Opera; term third stream in een lezing aan Brandeis University (1957). Brandeis Jazz Festival, juni 1957: opdrachten aan Mingus, Giuffre, Russell, Babbitt, Shapero en Schuller. George Russell (1923, Cincinnati): Lydian Chromatic Concept of Tonal Organization (1953), harmonie vanuit toonladders. All About Rosie in drie delen, met een solo van Bill Evans. Lenox School of Jazz (1957-1960): les van Lewis, Schuller, Gillespie, Roach; in 1959 waren Ornette Coleman en Don Cherry er student.
Luistertips:
The Modern Jazz Quartet – Django: Een rouwstuk voor Django Reinhardt: luister naar het langzame, plechtige thema.
George Russell – All About Rosie: Een kinderliedje uit Alabama wordt een stuk voor jazzorkest: luister naar de solo van pianist Bill Evans.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
AFTER HOURS · SESSIE 2
Hard en open
Hard bop, het geluid van Blue Note, een festival aan zee en de stap naar modale jazz.
3
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 3 · TAKE 10 · 1954-1958 · NEW YORK
De Jazz Messengers
Hard bop: de harmonie van de bop, terug naar blues, gospel en rhythm-and-blues
Art Blakey: luid, dwingend drumspel met de press roll
Horace Silver: The Preacher (1955), een thema als een kerklied, funky
Rita Reys uit Rotterdam neemt in 1956 op met de Jazz Messengers
Moanin’ (1958): vraag en antwoord tussen piano en blazers
Horace Silver & The Jazz Messengers
The Preacher
Rita Reys & The Jazz Messengers
My One and Only Love
Art Blakey & The Jazz Messengers
Moanin'
Foto: Rita Reys met Pim Jacobs, Ruud Jacobs, Cees See en Wim Overgaauw, Rotterdam, 1960. Blakey (11 oktober 1919, Pittsburgh) speelde bij Billy Eckstine; bekeerde zich tot de islam (Abdullah Ibn Buhaina, ‘Bu’). Hi-hat hard dicht op twee en vier; de press roll op de snaredrum bouwt de spanning op naar een nieuwe chorus. Horace Silver (2 september 1928, Norwalk) had een vader van de Kaapverdische eilanden; Stan Getz nam zijn trio in 1950 mee op tournee. Sessies november 1954 en februari 1955 met Kenny Dorham, Hank Mobley, Doug Watkins en Blakey. Funky: aards, bluesrijk, zware groove; het woord gaf later een eigen stijl een naam. Silver vertrok in 1956, Blakey hield de naam. Rita Reys (21 december 1924, Rotterdam), getrouwd met drummer Wessel Ilcken; opnames op 3 mei en 25 juni 1956 voor The Cool Voice of Rita Reys (My One and Only Love uit de tweede sessie). Ilcken overleed op 13 juli 1957; daarna met Pim Jacobs, ‘Europe’s First Lady of Jazz’. De Jazz Messengers als school; in 1958 was Benny Golson muzikaal leider (Blues March, Along Came Betty), met Lee Morgan, Bobby Timmons en Jymie Merritt. Moanin’ (30 oktober 1958), titelstuk van Timmons: de blazers antwoorden als de ‘amen’ van een gemeente. Verbinding tussen hard bop, gospel en soul. Eind 1958 in het Olympia in Parijs.
Luistertips:
Horace Silver & The Jazz Messengers – The Preacher: Een thema als een gospelkoor: hoor hoe trompet en saxofoon samen de melodie zingen.
Rita Reys & The Jazz Messengers – My One and Only Love: Een Rotterdamse zangeres met de Jazz Messengers in New York: luister hoe rustig ze de ballad zingt.
Art Blakey & The Jazz Messengers – Moanin': Vraag en antwoord tussen piano en blazers, zoals tussen voorganger en gemeente in de kerk.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
Waar komt de vorm van het thema van Moanin’ vandaan?
Uit de barok: het is een fuga
Uit de zwarte kerk en de werkliederen: vraag en antwoord
Uit de calypso van Trinidad
Uit het Franse chanson
B. De piano speelt een korte, klagende zin, en de blazers antwoorden met twee akkoorden, als de ‘amen’ van een gemeente op de woorden van een predikant (call and response).
Luistertips:
Art Blakey & The Jazz Messengers – Moanin': Moanin’: luister naar piano en blazers.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 3 · TAKE 11 · 1939-1959 · NEW YORK, HACKENSACK
Blue Note: geluid en beeld
Alfred Lion en Francis Wolff uit Berlijn: Blue Note vanaf 1939, met betaalde repetities
Rudy Van Gelder zet de microfoons dichtbij: ook bas en drums klinken helder
Reid Miles ontwerpt de hoezen: Wolffs foto’s, grote letters, veel lege ruimte
Autumn Leaves: Miles Davis speelt met een harmon-demper
Art Blakey Quintet & Clifford Brown
Split Kick, live in Birdland
Cannonball Adderley & Miles Davis
Autumn Leaves
Foto: de studio van Van Gelder in Englewood Cliffs, in gebruik vanaf 1959 (foto 2022). Alfred Lion (21 april 1908, Berlijn) hoorde in 1925 de band van Sam Wooding; eerste opname op 6 januari 1939 met Albert Ammons en Meade Lux Lewis. Francis Wolff (1907, Berlijn) kwam uit nazi-Duitsland en werd compagnon. Ze kozen musici die ze zelf bewonderden, zoals Monk in 1947; Wolff fotografeerde tijdens de opnames. Rudy Van Gelder (2 november 1924) was overdag optometrist; studio in het huis van zijn ouders in Hackensack; vanaf 1953 vrijwel alle Blue Note-sessies en veel Prestige-platen; juli 1959 naar Englewood Cliffs. Een opnametechnicus bepaalt mee hoe muziek klinkt. 21 februari 1954, Birdland: Blakey met Clifford Brown, Lou Donaldson, Horace Silver en Curly Russell, aangekondigd door Pee Wee Marquette; A Night at Birdland, met Split Kick van Silver: hard bop in wording. Reid Miles (4 juli 1927, Chicago) werkte voor Esquire; vanaf ongeveer 1956 de hoezen, zo’n 350 in ruim tien jaar; voorbeeld Cool Struttin’ (1958) van Sonny Clark. Somethin’ Else (9 maart 1958) van Cannonball Adderley met Hank Jones, Sam Jones, Blakey en Miles Davis (bij uitzondering als begeleider). Autumn Leaves = Les feuilles mortes van Joseph Kosma en Jacques Prévert, uit Les portes de la nuit (1946) van Marcel Carné. Harmon-demper: metalen demper die de toon dun, dichtbij en zoemend maakt.
Luistertips:
Art Blakey Quintet & Clifford Brown – Split Kick, live in Birdland: Live in Birdland, opgenomen door Van Gelder: hoor hoe helder de drums en de trompet van Clifford Brown klinken.
Cannonball Adderley & Miles Davis – Autumn Leaves: Een Frans chanson als jazzballad: de gedempte trompet van Miles Davis speelt de melodie.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 3 · TAKE 12 · 1954-1959 · NEW YORK, NEWPORT
Brown, Rollins en Newport
Clifford Brown: warme, ronde toon; kwintet met Max Roach vanaf 1954
Sonny Rollins: St. Thomas, een calypso, op Saxophone Colossus (1956)
Schuller over Rollins: thematische improvisatie
Newport Jazz Festival (1954): jazz in de openlucht voor duizenden
Ellington in Newport (1956): Paul Gonsalves speelt 27 chorussen
Clifford Brown & Max Roach
Joy Spring
Sonny Rollins
St. Thomas
Duke Ellington
Diminuendo and Crescendo in Blue, live in Newport
Foto: Clifford Brown, 1956. Brown (30 oktober 1930, Wilmington) gebruikte geen drugs. Max Roach (1924) speelde melodisch, met solo’s als een compositie. Joy Spring (augustus 1954, EmArcy, met Harold Land), genoemd naar zijn vrouw LaRue Anderson. Eind 1955 kwam Rollins in plaats van Land. Op 26 juni 1956 kwamen Brown, Richie Powell en diens vrouw Nancy om bij een auto-ongeluk op de Pennsylvania Turnpike; Brown was 25. Golson schreef I Remember Clifford. Rollins (7 september 1930, Harlem; ouders van de Maagdeneilanden) nam op 22 juni 1956 Saxophone Colossus op bij Van Gelder met Tommy Flanagan, Doug Watkins en Roach. St. Thomas: Caraïbisch volksliedje van zijn moeder. Schullers artikel (1958) over Blue 7: Rollins keert terug naar een kort motief en bewerkt het zoals een componist. Way Out West (1957) zonder piano; live in de Village Vanguard (november 1957). Zomer 1959 stopte hij met optreden en oefende tot eind 1961 op de Williamsburg Bridge; comeback The Bridge (1962). Newport: Elaine en Louis Lorillard, organisatie George Wein (Storyville, Boston). Juli 1954 in het Newport Casino met Gillespie, Ella Fitzgerald, Mulligan en Konitz. 1955: Miles Davis speelt ’Round Midnight met Monk, Mulligan en Zoot Sims; Columbia biedt hem een contract. 7 juli 1956: Ellington, Diminuendo and Crescendo in Blue (1937); Gonsalves speelde 27 chorussen op het bluesschema, het publiek ging dansen. Hij speelde per ongeluk in de microfoon van Voice of America. Ellington at Newport werd zijn bestverkochte plaat; augustus 1956 op Time. 1958: Bert Stern filmt Jazz on a Summer’s Day.
Luistertips:
Clifford Brown & Max Roach – Joy Spring: Een melodie die opgewekt door verschillende toonsoorten loopt: luister naar Browns heldere, ronde toon.
Sonny Rollins – St. Thomas: Een calypso uit de Caraïben als jazzstuk: hoor hoe Rollins het korte motief steeds opnieuw omvormt.
Duke Ellington – Diminuendo and Crescendo in Blue, live in Newport: Wacht op de tenorsaxofoon van Paul Gonsalves: chorus na chorus, en hoor het publiek steeds luider worden.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
SET 3 · TAKE 13 · 1955-1960 · NEW YORK, DEN HAAG
1959: Kind of Blue
Davis’ kwintet met John Coltrane (1955), later een sextet met Cannonball Adderley
Milestones (1958): twee toonladders in plaats van een reeks akkoorden
Kind of Blue (1959): de modus; So What op de dorische toonladder
Giant Steps (1959): de Coltrane changes, snel wisselend tussen drie toonsoorten
Davis brengt de akkoorden terug, Coltrane drijft ze op tot het uiterste
Miles Davis
Milestones
Miles Davis & John Coltrane
So What, live in het Kurhaus, Den Haag
John Coltrane
Giant Steps
Foto: John Coltrane krijgt een Edison in het Concertgebouw, 1961. Kwintet met Coltrane, Red Garland, Paul Chambers en Philly Joe Jones; in 1956 in twee lange dagen bij Van Gelder genoeg voor vier albums (Cookin’, Relaxin’, Workin’, Steamin’), meestal in één take. Coltrane (23 september 1926, Hamlet, North Carolina) was een late bloeier; in 1957 weggestuurd vanwege heroïne, stopte, speelde met Monk in de Five Spot en kwam in 1958 terug. December 1957 in Parijs: muziek voor Ascenseur pour l’échafaud van Louis Malle, met René Urtreger, Pierre Michelot en Kenny Clarke, geïmproviseerd bij de beelden. Kind of Blue: 2 maart en 22 april 1959, 30th Street Studio van Columbia, met Coltrane, Adderley, Bill Evans, Chambers en Jimmy Cobb (Wynton Kelly op Freddie Freeloader). Dorisch: van D tot D op de witte toetsen, mineur met een lichtere zesde toon. Het So What-akkoord: kwarten met een grote terts erboven. Bill Evans schreef de liner notes (Japanse schildertechniek; spontaniteit als doel); dat steeds de eerste volledige take op de plaat kwam, klopt niet voor elk stuk. 9 april 1960: Kurhaus, Scheveningen, met Kelly, Chambers en Cobb. Giant Steps: 4 en 5 mei 1959 voor Atlantic, met Tommy Flanagan, Chambers en Art Taylor; toonsoorten B, G en E♭ verdelen het octaaf in drie gelijke delen. Op het album ook Naima. In 1959 ook Time Out, Mingus Ah Um en The Shape of Jazz to Come (Ornette Coleman): zie Sessie 3.
Luistertips:
Miles Davis – Milestones: Een stuk op twee toonladders in plaats van een reeks akkoorden: hoor hoe de solisten de tijd nemen.
Miles Davis & John Coltrane – So What, live in het Kurhaus, Den Haag: Dezelfde So What, een jaar later live in het Kurhaus: hoor hoeveel sneller de band speelt.
John Coltrane – Giant Steps: Akkoorden die steeds een grote terts verspringen, in hoog tempo: probeer de drie toonsoorten te volgen.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
Wat is het verschil tussen So What en Giant Steps?
So What rust lang op één modus; Giant Steps wisselt snel tussen drie toonsoorten
So What wisselt snel tussen drie toonsoorten; Giant Steps rust op één modus
Beide zijn ballads in mineur
Beide zijn gespeeld zonder piano
A. Davis bracht het aantal akkoorden terug en zocht meer ruimte voor melodie; Coltrane propte er juist zoveel mogelijk in, vaak om de twee tellen, tussen B, G en E♭ (de Coltrane changes).
Luistertips:
John Coltrane – Giant Steps: Giant Steps: akkoorden die steeds een grote terts verspringen.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
Zet deze gebeurtenissen in de goede volgorde.
1941, 1945, 1949, 1954, 1956, 1959. Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
OUTRO · 1959
Twintig jaar moderne jazz
Davis liet horen dat jazz met veel minder akkoorden kon, Coltrane dat je de akkoorden tot het uiterste kon opdrijven. Ornette Coleman ging nog een stap verder en liet de vaste akkoorden helemaal los.
Foto: nachtconcert van het Horace Silver Quintet in het Concertgebouw, februari 1959. In 1959 werden Kind of Blue, Giant Steps, Time Out, Mingus Ah Um en The Shape of Jazz to Come opgenomen. In de jaren zestig verleggen Coltrane, Coleman en een nieuwe generatie, in een Amerika vol strijd om burgerrechten, de grenzen van de jazz: dat is Sessie 3. Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
Vul in
Gillespie en Parker speelden het thema van Salt Peanuts precies tegelijk: unisono. Bud Powell speelde met zijn linkerhand uitgedunde akkoorden, shell voicings. Ella Fitzgerald improviseerde met lettergrepen zonder betekenis: scat. De band van negen musici van Miles Davis was een nonet. Art Blakey bouwde de spanning op met zijn press roll. Kind of Blue is gebouwd op de modus.
Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
Kies twee fragmenten uit deze les uit verschillende stijlen (bebop, cool, hard bop, modale jazz). Waaraan hoor je het verschil? Gebruik minstens twee begrippen.
Slotopdracht. Goede antwoorden koppelen een hoorbaar kenmerk aan een begrip: snelle tempo’s en rijke akkoorden (bebop, Ko-Ko), zachte blazers zonder vibrato en uitgeschreven arrangementen (cool, Boplicity), blues, gospel en vraag en antwoord (hard bop, Moanin’), weinig akkoorden en een modus (So What). Image credit: Wikimedia Commons / , via Wikimedia Commons
BONUS TRACK · PLAYLIST
Luister de hele sessie
Alle nummers uit Sessie 2, in de volgorde van het hoofdstuk, staan in een playlist op Spotify. Scan de code met je telefoon, of open de link.
open.spotify.com/playlist/015Dg6RaBbP3trG3C3Jbqj
Scan voor Spotify
Playlist van Sessie 2: https://open.spotify.com/playlist/015Dg6RaBbP3trG3C3Jbqj. Ook te vinden op sorock.nl/jazz bij de sessie. Geef studenten de tijd om te scannen, of zet de playlist op tijdens het werken aan de opdrachten.
LINER NOTES · BEGRIPPEN
Begrippen
Bebop: moderne jazz uit de jaren veertig: snelle tempo’s, rijke akkoorden, kleine combo’s
Jamsessie: onvoorbereid samenspel, vaak na sluitingstijd
Cutting session: jamsessie als wedstrijd tussen solisten
Chorus: één keer de volledige vorm van een stuk
Riff: kort, herhaald figuur van blazers achter een solist
Unisono: dezelfde melodie precies tegelijk
Shell voicing: uitgedund akkoord van twee of drie tonen
Scat: vocale improvisatie met lettergrepen
Guajeo: herhaald Cubaans figuur dat op de clave past
Cubop: mengvorm van bebop en Afro-Cubaanse muziek
Nonet: groep van negen musici
Vrije improvisatie: zonder afgesproken thema, akkoorden of tempo
Third stream: jazz en Europese concertmuziek verbonden (Schuller, 1957)
Hard bop: bop met meer blues, gospel en rhythm-and-blues
Vraag en antwoord: een frase wordt beantwoord door een andere stem
Thematische improvisatie: een motief uit het thema steeds veranderen
Modus: toonladder met een eigen kleur, zoals de dorische
Coltrane changes: snelle wisselingen tussen toonsoorten een grote terts uit elkaar
Cet élément n'a pas d'instructions