Grammatica Voorzetselvoorwerp en werkwoordstijden

Grammatica zinsdelen
Vandaag:
  1. Lezen
  2. Theorie voorzetselvoorwerp
  3. Theorie werkwoordstijden
  4. Opdrachten maken
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Grammatica zinsdelen
Vandaag:
  1. Lezen
  2. Theorie voorzetselvoorwerp
  3. Theorie werkwoordstijden
  4. Opdrachten maken

Slide 1 - Tekstslide

Voorzetselvoorwerp

Slide 2 - Tekstslide

Theorie lezen bladzijde 58

Slide 3 - Tekstslide

1. Wandelsporters moeten zorgen voor goed schoeisel en waterdichte kleding.

  1. pv=
  2. ow=
  3. wg=
  4. vv=

Slide 4 - Tekstslide

2. Morgen gaat de lerares haar klas een beetje op de toets voorbereiden. 

  1. pv= 
  2. ow=
  3. wg=
  4. vv=
  5. bwb =

Slide 5 - Tekstslide

 
2. Zou de huidige directeur erg gehecht zijn aan dit schilderij van de oprichter?

  1. pv=
  2. Zinsdeelstreepjes plaatsen
  3. ow=
  4. wg=
  5. vv=

Slide 6 - Tekstslide

 3. Waren de thuisblijvers nieuwsgierig naar de uitslag van de basketbalwedstrijd?

  1. pv= 
  2. ow=
  3. wg=
  4. vv=

Slide 7 - Tekstslide

Niet iedere zin bevat een bijwoordelijke bepaling en sommige zinnen hebben meerdere bijwoordelijke bepalingen.

Soms zijn bijwoordelijke bepalingen niet zo makkelijk te vinden omdat je vragen als waar?, wanneer? etc. niet kan stellen. Maar als je de zinnen op de juist manier ontleedt, blijven ze vanzelf over.


Voorbeelden:

1. Ik heb de wedstrijd niet gezien. 

2. Zou Ajax deze wedstrijd ook winnen. 

3. Waar heb je hem nou gelaten? 

4. Ik kan dat wel begrijpen. 

                                                            In deze zinnen zijn niet, ook, nou en wel bijwoordelijke bepalingen.

Slide 8 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling
 – Een bijwoordelijke bepaling zegt iets over het gezegde.

 – Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op vragen als:


Waarom?   Vanwege de vogelpest is dit gebied afgesloten.

Wanneer?  De training begint om vijf uur.

Hoelang?  De verlenging zal een half uur duren.

Waarheen?  Wij gaan naar Frankrijk dit jaar.

Waarvandaan?   De meeste druiven komen uit Frankrijk.

Hoe?   De stratenmaker heeft zijn hele leven hard gewerkt.

Waarmee?   De indiaan maakte met een kleed rooksignalen

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Woordsoorten: werkwoordstijden

Slide 11 - Tekstslide

De onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t.)
• ik zal lezen  
• ik zal werken  
De voltooid tegenwoordige toekomende tijd (v.t.t.t.)
• ik zal gelezen hebben  
• ik zal gewerkt hebben  
De onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t.)
• ik zou lezen  
• ik zou werken  
De voltooid verleden toekomende tijd (v.v.t.t.)
• ik zou gelezen hebben  
• ik zou gewerkt hebben
In het Nederlands heb je 8 werkwoordstijden 

De onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.) 
• ik lees 
• ik werk 
De onvoltooid verleden tijd (o.v.t.) 
• ik las 
• ik werkte 
De voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.) 
• ik heb gelezen 
• ik heb gewerkt 
De voltooid verleden tijd (v.v.t.) 
• ik had gelezen 
• ik had gewerkt 

Slide 12 - Tekstslide

Woordsoorten: werkwoordstijden

Slide 13 - Tekstslide

Woordsoorten: werkwoordstijden

Slide 14 - Tekstslide

Huiswerk
Grammatica H2
Formuleren doen we niet.

Slide 15 - Tekstslide