Les 5 §1.3 E=Pxt

1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 44 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Welkom in de les
Vandaag:
  • Herhaling 
  • Uitleg E=P.t
  • Maken § 1.3: 1 t/m 11

 


§ 1.3 Vermogen en energie

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
11 Je kunt uitleggen wat wordt bedoeld met het vermogen van een apparaat.
2 Je kunt berekeningen uitvoeren met spanning, stroomsterkte en vermogen.
3 Je kunt uitleggen hoe het verbruik van elektrische energie in huis wordt gemeten.
4 Je kunt het energieverbruik van elektrische apparaten berekenen in kWh.
5 Je kunt berekenen hoeveel je voor de verbruikte elektrische energie moet betalen.
6 Je kunt uitleggen waarom je een energiemeter nodig hebt om het werkelijke energieverbruik van een apparaat te bepalen.

Slide 3 - Tekstslide

Verschil spanning en stroom
Spanning
Stroom
Wat is het?
kracht verplaatsen van de elektrische lading door draad
hoeveelheid elektrische lading tussen twee punten
Eenheid
Volt (V)
Ampère (A)

Slide 4 - Tekstslide

Schakeling
Schakelschema
Symbolen

Slide 5 - Tekstslide

Serie schakeling

Slide 6 - Tekstslide

Parallel schakeling

Slide 7 - Tekstslide

Het vermogen van een apparaat
Op elektrische apparaten staat hoeveel elektrische energie per seconde het apparaat gebruikt:
het vermogen

Slide 8 - Tekstslide

Het vermogen van een apparaat
Op elektrische apparaten staat hoeveel elektrische energie per seconde het apparaat gebruikt:
het vermogen

De eenheid van vermogen is watt (W)

Slide 9 - Tekstslide

Het vermogen van een apparaat
Op elektrische apparaten staat hoeveel elektrische energie per seconde het apparaat gebruikt:
het vermogen

De eenheid van vermogen is watt (W)

1 kW = 1000 W
1 W = 0,001 kW

Slide 10 - Tekstslide

Voorbeeld
Het wordt donker in huis. Je zet een schemerlampje aan. Het vermogen van de lamp is 5 watt. Je weet dat het lichtnet een spanning levert van 230 volt. Hoe groot is de stroomsterkte door de lamp?


Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Formule P = U x I
  • Vermogen = spanning x stroom (P = U x I)
  • Spanning = vermogen : stroom (U = P : I)
  • Stroom = vermogen : spanning (I = P : U) 

Slide 13 - Tekstslide

Formule P = U x I
  • Vermogen = spanning x stroom (P = U x I)
  • Spanning = vermogen : stroom (U = P : I)
  • Stroom = vermogen : spanning (I = P : U) 

Slide 14 - Tekstslide

Formule P = U x I
  • Vermogen = spanning x stroom (P = U x I)
  • Spanning = vermogen : stroom (U = P : I)
  • Stroom = vermogen : spanning (I = P : U) 
x
_________

Slide 15 - Tekstslide

Formule P = U x I
  • Vermogen = spanning x stroom (P = U x I)
  • Spanning = vermogen : stroom (U = P : I)
  • Stroom = vermogen : spanning (I = P : U) 
x
_________
U
I

Slide 16 - Tekstslide

Formule P = U x I
  • Vermogen = spanning x stroom (P = U x I)
  • Spanning = vermogen : stroom (U = P : I)
  • Stroom = vermogen : spanning (I = P : U) 
x
_________
U
I
P

Slide 17 - Tekstslide

Formule P = U x I
  • Vermogen = spanning x stroom (P = U x I)
  • Spanning = vermogen : stroom (U = P : I)
  • Stroom = vermogen : spanning (I = P : U) 
x
_________
U
I
P

Slide 18 - Tekstslide

Formule P = U x I
  • Vermogen = spanning x stroom (P = U x I)
  • Spanning = vermogen : stroom (U = P : I)
  • Stroom = vermogen : spanning (I = P : U) 
x
_________
U
I
P

Slide 19 - Tekstslide

Formule P = U x I
  • Vermogen = spanning x stroom (P = U x I)
  • Spanning = vermogen : stroom (U = P : I)
  • Stroom = vermogen : spanning (I = P : U) 
x
_________
U
I
P

Slide 20 - Tekstslide

Het vermogen van de lamp is 5 watt. Je weet dat het lichtnet een spanning levert van 230 volt. Hoe groot is de stroomsterkte door de lamp?

Slide 21 - Tekstslide

Het vermogen van de lamp is 5 watt. Je weet dat het lichtnet een spanning levert van 230 volt. Hoe groot is de stroomsterkte door de lamp?
F     |      I = P : U

Slide 22 - Tekstslide

Het vermogen van de lamp is 5 watt. Je weet dat het lichtnet een spanning levert van 230 volt. Hoe groot is de stroomsterkte door de lamp?
F     |      I = P : U
O     |    -

Slide 23 - Tekstslide

Het vermogen van de lamp is 5 watt. Je weet dat het lichtnet een spanning levert van 230 volt. Hoe groot is de stroomsterkte door de lamp?
F     |      I = P : U
O     |    -
B      |   I = 5 : 230

Slide 24 - Tekstslide

Het vermogen van de lamp is 5 watt. Je weet dat het lichtnet een spanning levert van 230 volt. Hoe groot is de stroomsterkte door de lamp?
F     |      I = P : U
O     |    -
B      |   I = 5 : 230
A+E |   I = 0,02 A ( = 20mA)

Slide 25 - Tekstslide

Energieverbruik
Hangt af van: tijd en vermogen

Eenheid: kilowattuur (kWh)

Slide 26 - Tekstslide

Formule
Energiegebruik = vermogen x tijd

E = P . t
Energieverbruik in kilowattuur (kWh)
Vermogen in kilowatt (kW)
Tijd in uur (h)

Slide 27 - Tekstslide

Voorbeeld
Het vermogen is van een tv is 50 W. 
De televisie staat 8 uur aan.
Bereken hoe groot het energiegebruik van de tv is. 


Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Het vermogen is van een tv is 50 W. 
De televisie staat 8 uur aan.
Bereken hoe groot het energiegebruik van de tv is. 

Slide 30 - Tekstslide

Het vermogen is van een tv is 50 W. 
De televisie staat 8 uur aan.
Bereken hoe groot het energiegebruik van de tv is. 
F |      E = P . t

Slide 31 - Tekstslide

Het vermogen is van een tv is 50 W. 
De televisie staat 8 uur aan.
Bereken hoe groot het energiegebruik van de tv is. 
F |      E = P . t
O |      P = 50 W = 0,050 kW

Slide 32 - Tekstslide

Het vermogen is van een tv is 50 W. 
De televisie staat 8 uur aan.
Bereken hoe groot het energiegebruik van de tv is. 
F |      E = P . t
O |      P = 50 W = 0,050 kW
B  |   E = 0,05 . 8

Slide 33 - Tekstslide

Het vermogen is van een tv is 50 W. 
De televisie staat 8 uur aan.
Bereken hoe groot het energiegebruik van de tv is. 
F |      E = P . t
O |      P = 50 W = 0,050 kW
B  |   E = 0,05 . 8
A+E | E = 0,40 kWh

Slide 34 - Tekstslide

Energiekosten

Formule:
Energiekosten = energiegebruik x kWh-prijs

Slide 35 - Tekstslide

Voorbeeld
Het energieverbruik in een gameroom is ongeveer 300 kWh per jaar bij gemiddeld 4 uur gamen per dag. 
Wat zijn de energiekosten als
1kWh € 0,22 kost?


Slide 36 - Tekstslide

Het energieverbruik in een gameroom is ongeveer 300 kWh per jaar bij gemiddeld 4 uur gamen per dag. 
Wat zijn de energiekosten als
1kWh € 0,22 kost? 

Slide 37 - Tekstslide

Het energieverbruik in een gameroom is ongeveer 300 kWh per jaar bij gemiddeld 4 uur gamen per dag. 
Wat zijn de energiekosten als
1kWh € 0,22 kost? 

F |     kosten = energiegebruik . kWh-prijs

Slide 38 - Tekstslide

Het energieverbruik in een gameroom is ongeveer 300 kWh per jaar bij gemiddeld 4 uur gamen per dag. 
Wat zijn de energiekosten als
1kWh € 0,22 kost?. 

F |     kosten = energiegebruik . kWh-prijs
O |      -

Slide 39 - Tekstslide

Het energieverbruik in een gameroom is ongeveer 300 kWh per jaar bij gemiddeld 4 uur gamen per dag. 
Wat zijn de energiekosten als
1kWh € 0,22 kost?. 

F |     kosten = energiegebruik . kWh-prijs
O |      -
B  |   kosten = 300 . 0,22

Slide 40 - Tekstslide

Het energieverbruik in een gameroom is ongeveer 300 kWh per jaar bij gemiddeld 4 uur gamen per dag. 
Wat zijn de energiekosten als
1kWh € 0,22 kost?. 

F |     kosten = energiegebruik . kWh-prijs
O |      -
B  |   kosten = 300 . 0,22
A+E | kosten = €66,-

Slide 41 - Tekstslide

Vragen?

Slide 42 - Tekstslide

Aan de slag

Maken § 1.3: 1 t/m 11

 


§ 1.3 Vermogen en energie
timer
10:00

Slide 43 - Tekstslide

Huiswerk

  • Maken § 1.3: 1 t/m 14

 


§ 1.3 Vermogen en energie

Slide 44 - Tekstslide