Lesson 4 (present perfect + place adverbs)

3K
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

3K

Slide 1 - Tekstslide

Today
- Practise words

- Explanation grammar

- Exercises




Slide 2 - Tekstslide

Practise words

- Go to Learnbeat
- Woordjes
- Klik op Engels
- Oefen de woordjes van Unit 2

Slide 3 - Tekstslide

present perfect

Slide 4 - Tekstslide

Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd



Slide 5 - Tekstslide

Present perfect
iets wat in het verleden begonnen is en nu nog aan de gang is.
Has/have + voltooid deelwoord

Slide 6 - Tekstslide

Alice has lived in Rome for two years.
Woont ze daar nog of woont ze nu ergens anders?
A
Ze woont daar nog
B
Ze woont nu ergens anders

Slide 7 - Quizvraag

Wanneer gebruik je de present perfect?


  • Om te praten over iets wat in het verleden is begonnen, en nu nog aan de gang is (nog niet afgelopen)

Bob has known John since they were 10.
Mary has worked at the market for 5 years now.
Bill and Kate have been friends since 2011.



Slide 8 - Tekstslide

Wanneer gebruikje de present perfect?
  • Om te praten over iets wat in het verleden gebeurd en waar je nu het resultaat van merkt:
Sharon has broken her leg (now she can't walk)
Jim has lost his keys ( now he can't open the door)
Gwen has eaten too much (now she feels sick)






Slide 9 - Tekstslide

Wanneer gebruik je de present perfect?
  • Om te praten over ervaringen to  nu toe:
I have never been too America.
Have you ever been to America?
I've never swum with dolphins.
She has never run a marathon.

Slide 10 - Tekstslide

Hoe maak je de present perfect?
  • Have / has + voltooid deelwoord

  • I have lived here for ten years.

  • She has known him since 2011.

Slide 11 - Tekstslide

I
You
He/She/It
We
You
They
have 
have
have 
have 
have 
has

Slide 12 - Sleepvraag

                       Present perfect


        have / has + voltooid deelwoord

Slide 13 - Tekstslide

Wat is dan het voltooid deelwoord?
er zijn 2 verschillende         regelmatige werkwoorden 
                                                           
                                                  onregelmatige werkwoorden
1
2

Slide 14 - Tekstslide

           
             regelmatige werkwoorden       
1
werkwoord + -ed
play - played
walk - walked
work - worked
want - wanted

Slide 15 - Tekstslide

           
             onregelmatige werkwoorden

2
Het derde woord uit de rijtjes 
To do - did - done
to fly - flew - flown
to fight - fought - fought

Slide 16 - Tekstslide

Vragen maken in de present perfect
zet have/has aan het begin van de zin
vb
  • he has eaten at a restaurant
  • has he eaten at a restaurant?

Slide 17 - Tekstslide

He ......................... ( play)


A
have played
B
has played

Slide 18 - Quizvraag

I ........................(work) very hard.
A
has worked
B
have worked

Slide 19 - Quizvraag

Welke zin staat in de present perfect?
A
She has a cat.
B
She has had her cat for 9 years.

Slide 20 - Quizvraag

Welke zin staat in de present perfect?
A
I lived in Amsterdam.
B
I have lived in Amsterdam since I was 18.

Slide 21 - Quizvraag

You.......................(walk) to Germany
A
Has walked
B
Have walked
C
Has walk
D
Have to walk

Slide 22 - Quizvraag

Hoe vorm je de Present Perfect?
A
stam + ED
B
met het derde rijtje van de irregular verbs
C
stam + S bij he / she / it
D
met has / have + voltooid deelwoord

Slide 23 - Quizvraag

Which sentence is the present perfect?
A
I bought a dog
B
I have bought a dog
C
I buy a dog
D
I am buying a dog

Slide 24 - Quizvraag

Which sentence is the present perfect?
A
He lives here for ten years
B
He lived here for ten years
C
He has lived here for ten years
D
He is living here for ten years

Slide 25 - Quizvraag

Welke zin staat in de Present Perfect?
A
She goes home at 8 o'clock.
B
He fell off his bike.
C
She has caught ten balls so far.
D
They worked all day yesterday.

Slide 26 - Quizvraag

Maak present perfect:
I ask.

Slide 27 - Open vraag

Present perfect:
I walk to school

Slide 28 - Open vraag

Ik weet hoe ik de present perfect moet gebruiken in een zin
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

Grammar: place adverb
Adverbs zijn bijwoorden. 
Deze geven aan hoe vaak iets gebeurt.


Slide 30 - Tekstslide

Grammar: adverbs of frequency
Adverbs of frequency: always, never, sometimes, often etc. 

1. Als er een vorm van 'to be' (am/are/is/was/were) staat. Dan komt het bijwoord er achter.
Melanie is always late. 

2. Bijwoorden van frequentie komen voor het hoofdwerkwoord.
Melanie never drinks coffee.



Slide 31 - Tekstslide

Waar plaats je een Adverb of Frequency?
A
Voor een vorm van to be (am/are/is)
B
Na een vorm van to be (am/are/is)

Slide 32 - Quizvraag

Waar plaatsen we adverbs of frequency?
A
Always I play football.
B
I always play football.
C
I play always football.
D
I play football always.

Slide 33 - Quizvraag

Waar plaats je een Adverb of Frequency?
A
She is always late.
B
Always she is late.
C
She is late always.
D
She always is late.

Slide 34 - Quizvraag

Adverbs of frequency
Position in sentence:
before the verb
--> I always eat bread for lunch.

BUT after to be
--> I am never late!

Slide 35 - Tekstslide

Ik weet waar het bijwoord in de zin wordt geplaatst.
😒🙁😐🙂😃

Slide 36 - Poll

Exercises
- Go to your Study planner in Learnbeat

- Do the exercises I have selected for you

Klaar? -> oefen de woordjes

Slide 37 - Tekstslide