Vertering en opname (Biologie havo), les 1: Uitleg

ORGANISME · VERTERING

Vertering en opname

Examenstof biologie havo

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over het verteringsstelsel van de mens: bouw en functie van de organen, darmperistaltiek, mechanische en chemische vertering, verteringssappen en gal, resorptie via darmvlokken en de rol van darmbacteriën. Verwijst voor enzymwerking naar de les Enzymen en biotechnologie.

Onderdelen in deze les

ORGANISME · VERTERING

Vertering en opname

Examenstof biologie havo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: O1.4 (B3.4), specificatie 1 t/m 4. Image credit: Mikael Häggström / Wikimedia Commons, CC0

ORGANISME · VERTERING

Wat ga je kunnen?

Ik kan beschrijven waar en hoe voedingsstoffen worden verteerd en opgenomen in het verteringsstelsel van de mens.

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebeurt er met een boterham nadat je hem hebt doorgeslikt?

Verwacht: maag, darmen, poep, zuur, opnemen in het bloed. Koppel de woorden aan de begrippen van de les: vertering, enzymen, resorptie. Veelgemaakte misvatting: eten gaat direct in het bloed; het moet eerst verteerd en dan geresorbeerd worden.

Het spijsverteringsstelsel van de mens met de klieren die erbij horen

ORGANISME · VERTERING

Het verteringsstelsel

  • Weg van het voedsel: mond, slokdarm, maag, twaalfvingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm.

  • In de mond maken de speekselklieren speeksel; tanden en tong verkleinen het voedsel.

  • De lever maakt gal, de galblaas bewaart gal en de alvleesklier maakt alvleessap.

  • De twaalfvingerige darm is het eerste stuk van de dunne darm: daar komen gal en alvleessap binnen.

Syllabus O1.4 specificatie 1: (spijs)vertering, speekselklier, slokdarm, maag, twaalfvingerige darm, alvleesklier, lever, galblaas, dunne darm, dikke darm, endeldarm. Laat leerlingen de weg op het schema met een vinger volgen. Lever, galblaas en alvleesklier liggen langs de buis: het voedsel loopt er niet doorheen, de sappen komen via buisjes in de darm. Veelgemaakte fout: denken dat het voedsel door de lever of alvleesklier gaat. Image credit: Mariana Ruiz, bewerkt door Joaquim Alves Gaspar en Jmarchn / Wikimedia Commons, publiek domein; Nederlandse labels toegevoegd

Darmperistaltiek: kringspieren en lengtespieren duwen de voedselbrok voort

ORGANISME · VERTERING

Spieren in de darmwand

  • De wand van de buis heeft kringspieren (om de buis heen) en lengtespieren (langs de buis).

  • Achter het voedsel trekken kringspieren samen, ervoor ontspannen ze: het voedsel wordt voortgeduwd.

  • Dit samentrekken in een golf heet darmperistaltiek.

  • Zulke golven zitten ook in de slokdarm: daarom kun je ook in een handstand slikken.

Syllabus O1.4 specificatie 1: kringspier, lengtespier, darmperistaltiek. Een kringspier die samentrekt maakt de buis smaller; een lengtespier die samentrekt maakt het stuk buis korter. De golf beweegt in een richting door afwisseling van samentrekken en ontspannen. Veelgemaakte fout: denken dat zwaartekracht het voedsel naar beneden laat zakken. Image credit: LessonUp Studio, eigen illustratie

ORGANISME · VERTERING

Bouw en functie van de organen

  • Slokdarm: een buis met een spierwand die het voedsel naar de maag duwt.

  • Maag: de spierwand kneedt het voedsel en de maagwand maakt maagsap.

  • Dunne darm: lang, met darmsap en darmvlokken; hier vindt de meeste vertering en opname plaats.

  • Dikke darm: neemt water op uit de resten; de rest gaat naar de endeldarm en verlaat je lichaam als ontlasting.

  • Bij elk orgaan past de bouw bij de functie: dat is vorm-functiedenken (A11).

Syllabus O1.4 specificatie 1 en 2: relatie tussen bouw en functie. Vraag bij elk orgaan: welke bouw zie je en welke functie hoort daarbij? Voorbeelden: spierwand bij voortduwen en kneden, veel oppervlak bij opname. Veelgemaakte fout: de dikke darm voor het belangrijkste verteringsorgaan houden.

Wat doen de kringspieren achter een voedselbrok?

A

Ze ontspannen zodat de brok achterblijft

B

Ze maken verteringssap voor de brok

C

Ze nemen de brok op in het bloed

D

Ze trekken samen en duwen de brok voort

Achter de brok trekken de kringspieren samen, ervoor ontspannen ze. Zo wordt de brok voortgeduwd (darmperistaltiek). Verwachte fout: denken dat ontspannen spieren duwen.

Zet op volgorde: de weg van het voedsel

1

Mond

2

Dikke darm

3

Slokdarm

4

Maag

5

Dunne darm

Mond, slokdarm, maag, dunne darm (met de twaalfvingerige darm vooraan), dikke darm. Verwachte fout: de dikke darm voor de dunne darm zetten.

ORGANISME · VERTERING

Voedingsstoffen en vertering

  • Voedingsstoffen zijn koolhydraten, eiwitten, vetten, vitamines, mineralen en water.

  • Koolhydraten, eiwitten en vetten zijn te groot om op te nemen: ze moeten eerst worden verteerd.

  • Mechanische vertering verkleint het voedsel zonder dat de stoffen veranderen: kauwen en kneden door de maag.

  • Bij chemische vertering breken enzymen voedingsstoffen af tot kleine verteringsproducten.

  • Enzymen zitten in verteringssappen: speeksel, maagsap, alvleessap en darmsap.

Syllabus O1.4 specificatie 3: voedingsstof, mechanische vertering, chemische vertering, verteringssap, verteringsproduct. Vitamines, mineralen en water zijn al klein genoeg en hoeven niet verteerd te worden. Voor de werking van een enzym (enzym-substraatcomplex, optimale pH): verwijs naar de les Enzymen en biotechnologie. Veelgemaakte fout: denken dat kauwen chemische vertering is.

Verteringssappen: waar ze vandaan komen en wat ze doen

ORGANISME · VERTERING

Enzymen in de verteringssappen

  • Enzymen voor koolhydraatvertering (amylase), eiwitvertering (pepsine) en vetvertering (lipase).

  • Elk enzym past op één soort voedingsstof, net als in de les over het enzym-substraatcomplex.

  • Koolhydraten worden glucose, eiwitten worden aminozuren, vetten worden glycerol en vetzuren.

  • Maagsap is zuur, darmsap licht basisch: elk enzym heeft een eigen optimale pH.

Syllabus O1.4 specificatie 3: enzymen voor koolhydraatvertering, eiwitvertering en vetvertering, verteringsproduct, factoren die vertering beïnvloeden (zoals de pH en de aanwezigheid van het sap). Amylase in speeksel en alvleessap breekt zetmeel af tot maltose; in de dunne darm maken darmenzymen de afbraak af tot glucose. Koppel de pH aan de optimumkromme uit de les Enzymen en biotechnologie. Veelgemaakte fout: denken dat alle enzymen bij dezelfde pH werken. Image credit: LessonUp Studio, eigen illustratie

Gal emulgeert vet, lipase breekt het daarna af

ORGANISME · VERTERING

Gal en vetvertering

  • De lever maakt gal; de galblaas bewaart gal. Via de galgang komt gal in de twaalfvingerige darm.

  • Gal bevat geen enzymen: gal emulgeert vet en maakt van grote vetdruppels veel kleine.

  • Door emulgeren is het oppervlak groter, zodat lipase uit het alvleessap sneller kan werken.

  • Emulgeren is geen chemische vertering: het vet blijft vet tot lipase het afbreekt.

Syllabus O1.4 specificatie 3: emulgeren, gal, enzymen voor vetvertering. Het totale volume vet blijft gelijk, maar kleine druppels hebben samen een groter oppervlak, zodat meer lipase tegelijk kan aangrijpen. Veelgemaakte fout: denken dat gal vet afbreekt tot glycerol en vetzuren. Image credit: LessonUp Studio, eigen illustratie

Waarom is gal belangrijk voor de vetvertering?

A

Het breekt vet chemisch af tot glycerol en vetzuren

B

Kleine vetdruppels geven lipase meer oppervlak

C

Het bevat enzymen voor koolhydraatvertering

D

Het maakt de darminhoud zuur voor de enzymen

Gal emulgeert vet: veel kleine druppels hebben samen meer oppervlak. De afbraak zelf doet lipase. Verwachte fout: gal als enzym zien.

Vul in

Mechanische vertering verkleint het voedsel; bij chemische vertering breken enzymen stoffen af.

Mechanische
chemische
enzymen
Resorptie
Emulgeren

Mechanisch: de stoffen veranderen niet. Chemisch: enzymen breken stoffen af. Verwachte fout: kauwen en emulgeren als chemische vertering zien.

Een darmvlok met haarvatennet en lymfevat

ORGANISME · VERTERING

Resorptie in de dunne darm

  • Resorptie is de opname van verteringsproducten uit de darm in het bloed of de lymfe.

  • Dit gebeurt vooral in de dunne darm, die aan de binnenkant vol zit met darmvlokken.

  • Een darmvlok heeft een wand van één cellaag, een haarvatennet en een lymfevat.

  • Glucose en aminozuren gaan het bloed in; glycerol en vetzuren gaan naar het lymfevat.

Syllabus O1.4 specificatie 4: resorptie, darmvlok. Water, mineralen en vitamines worden ook opgenomen, vooral in de dunne darm; de dikke darm neemt water op. Vetten komen via het lymfevat in het lichaam. Veelgemaakte fout: denken dat alle verteringsproducten in het bloed komen, of dat verteren en resorberen hetzelfde zijn. Image credit: LessonUp Studio, eigen illustratie

Darmvlokken van de dunne darm onder de microscoop (dwarsdoorsnede)

ORGANISME · VERTERING

Veel oppervlak, snelle opname

  • Darmvlokken vergroten het oppervlak van de dunne darm sterk: er kan veel tegelijk worden opgenomen.

  • De wand is dun en het bloed voert de opgenomen stoffen meteen af: dat versnelt de opname.

  • Veel oppervlak en een dunne wand passen bij opname: vorm-functiedenken.

Syllabus O1.4 specificatie 2 en 4: relatie tussen bouw en functie, resorptie. De foto toont darmvlokken in dwarsdoorsnede. Bij een aandoening waarbij darmvlokken beschadigd zijn is er minder oppervlak en dus minder opname. Veelgemaakte fout: denken dat darmvlokken het voedsel verder vermalen. Image credit: Mikael Häggström / Wikimedia Commons, CC0

Lactobacillus, een staafvormige bacterie die ook in de darm leeft (elektronenmicroscoop)

ORGANISME · VERTERING

Dikke darm en darmbacteriën

  • De dikke darm neemt water op; de rest gaat naar de endeldarm en verlaat je lichaam.

  • In de darmen leven heel veel darmbacteriën.

  • Darmbacteriën breken sommige vezels af en maken onder andere vitamine K.

  • Na een antibioticakuur gaan er darmbacteriën dood: de vertering en opname kunnen dan gestoord raken.

Syllabus O1.4 specificatie 4: darmbacterie, factoren die opname beïnvloeden. Darmbacteriën beïnvloeden de vertering en de opname: ze breken voor de mens onverteerbare stoffen af en maken vitamine K. Een antibioticakuur kan darmbacteriën doden, waardoor bijvoorbeeld diarree kan ontstaan. Veelgemaakte fout: denken dat alle bacteriën in de darm schadelijk zijn. Image credit: Mogana Das Murtey en Patchamuthu Ramasamy / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Waarom heeft de dunne darm darmvlokken?

A

Ze vergroten het oppervlak voor resorptie

B

Ze malen het voedsel fijner

C

Ze maken verteringssap voor eiwitvertering

D

Ze duwen het voedsel door darmperistaltiek voort

Darmvlokken vergroten het oppervlak, zodat veel verteringsproducten tegelijk worden geresorbeerd. Verwachte fout: darmvlokken met mechanische vertering verwarren.

Noem één taak van darmbacteriën.

Bijvoorbeeld: vezels afbreken of vitamine K maken. Verwachte fout: alleen ziek maken noemen.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

De weg van het voedsel en de spieren

2

Enzymen, verteringssappen en gal

3

Resorptie en darmvlokken

4

Darmbacteriën

Gebruik de uitslag om een onderdeel nog eens met een voorbeeld te doorlopen.

Beschrijf de weg van een stuk brood.

Een goed antwoord: mond (kauwen, speeksel met amylase), slokdarm, maag, dunne darm (enzymen, gal, resorptie), dikke darm (water), endeldarm. Verwachte fout: de resorptie vergeten of in de maag laten plaatsvinden.

ORGANISME · VERTERING

Begrippen (1/2)

  • kringspier en lengtespier: Spieren om de darmbuis heen en langs de darmbuis; samen zorgen ze voor het voortduwen van het voedsel.

  • darmperistaltiek: Golfbeweging van de darmwand die het voedsel voortduwt.

  • mechanische vertering: Het voedsel wordt kleiner gemaakt zonder dat de stoffen veranderen, bijvoorbeeld door kauwen.

  • chemische vertering: Enzymen breken voedingsstoffen af tot kleine verteringsproducten.

  • verteringssap: Vloeistof met enzymen, zoals speeksel, maagsap, alvleessap en darmsap.

Deze slide heeft geen instructies

ORGANISME · VERTERING

Begrippen (2/2)

  • verteringsproduct: Kleine stof die overblijft na vertering, zoals glucose, aminozuren, glycerol en vetzuren.

  • gal en emulgeren: Gal komt uit de lever en emulgeert vet: grote vetdruppels worden veel kleine.

  • resorptie: Opname van verteringsproducten uit de darm in het bloed of de lymfe.

  • darmvlok: Uitstulping van de darmwand met haarvaten en een lymfevat; vergroot het oppervlak.

  • darmbacterie: Bacterie in de darm die de vertering en opname beïnvloedt.

Deze slide heeft geen instructies