Verteringsstelsel (Biologie vmbo), les 2: Examentraining

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Examentraining

Verteringsstelsel: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: delen op een tekening aanwijzen, orgaan en taak koppelen, een situatie uitleggen en tanden en tandbederf. Acht vragen, twee met een tekening.

Onderdelen in deze les

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Examentraining

Verteringsstelsel: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Saral Shots / Wikimedia Commons, CC0

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Wat ga je kunnen?

Ik kan delen van het verteringsstelsel aanwijzen en uitleggen wat ze doen.

Deze slide heeft geen instructies

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat wordt er gevraagd, een naam, een taak of een oorzaak?

  • 2. Kijk: zoek de letter of het deel op de tekening.

  • 3. Denk: welk orgaan hoort bij de taak?

  • 4. Controleer: past je antwoord bij de vraag?

Deze slide heeft geen instructies

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Vraagtype 1: delen op een tekening

  • Kijk goed naar de tekening en de letters.

  • Lees welk deel wordt gevraagd.

  • Zoek eerst het deel dat je zeker weet.

  • Voorbeeld: de maag zit links in je buik.

Deze slide heeft geen instructies

Welke letter is de dunne darm?

A

Letter D

B

Letter E

C

Letter F

D

Letter H

E is de dunne darm, opgerold binnen de dikke darm. D is de alvleesklier, F de dikke darm en H de endeldarm. Verwachte fout: F kiezen, omdat de dikke darm ook een buis is. Image credit: Eigen tekening

Welke letter is het tandbeen?

A

Letter B

B

Letter A

C

Letter C

D

Letter D

B is het tandbeen onder het glazuur. A is het glazuur, C het cement en D de zenuw met bloedvaten. Verwachte fout: A kiezen, omdat de buitenlaag opvalt. Image credit: Eigen tekening

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Vraagtype 2: welk orgaan, welke taak?

  • Leer bij elk orgaan wat het doet.

  • Denk aan de weg van het voedsel en de klieren erlangs.

  • Let op: iets maken is niet hetzelfde als iets opslaan.

  • Bedenk welke stoffen in welk deel van het kanaal komen.

Deze slide heeft geen instructies

Welk orgaan maakt alvleessap?

A

De lever

B

De galblaas

C

De alvleesklier

D

De maag

De alvleesklier maakt alvleessap; dat komt in de twaalfvingerige darm. Verwachte fout: lever kiezen, die maakt gal.

Welke twee stoffen komen in de twaalfvingerige darm?

A

Maagsap en speeksel

B

Gal en alvleessap

C

Gal en maagsap

D

Speeksel en alvleessap

In de twaalfvingerige darm komen gal uit de galblaas en alvleessap uit de alvleesklier. Verwachte fout: maagsap kiezen, dat blijft in de maag.

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Vraagtype 3: een situatie uitleggen

  • Bij een situatie bedenk je eerst om welk orgaan het gaat.

  • Denk dan aan de taak van dat orgaan.

  • Wat gaat er mis als het orgaan niet goed werkt?

  • Kies het antwoord dat bij die taak past.

Deze slide heeft geen instructies

Een medicijn beschadigt je lever. Welke taak gaat dan slecht?

A

Voedsel kneden en mengen

B

Water uit de resten opnemen

C

Speeksel maken

D

Afval- en gifstoffen afbreken

De lever breekt afval- en gifstoffen af. Verwachte fout: de maag kiezen, omdat de maag wel het voedsel kneedt.

Je eet een vette maaltijd. Wat doet gal met het vet?

A

Het neemt het vet op in het bloed

B

Het breekt het vet af met enzymen

C

Het bewaart het vet voor later

D

Het verdeelt het vet in kleine druppels

Alleen KB/GT. Gal emulgeert vet. Gal bevat geen enzymen. Verwachte fout: denken dat gal het vet afbreekt.

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Vraagtype 4: tanden en tandbederf

  • Tandbederf ontstaat door zuur van bacteriën.

  • Bedenk wat tegen tandbederf helpt: poetsen, speeksel en fluoride.

  • Lees bij een situatie goed wat er verandert.

  • Kies het antwoord dat bij die oorzaak past.

Deze slide heeft geen instructies

De tandarts smeert fluoride op je tanden. Wat is het doel?

A

De tandplak wordt weggespoeld

B

Het glazuur wordt sterker

C

Er komt meer speeksel in je mond

D

Het tandbeen wordt zachter

Fluoride maakt het glazuur sterker. Verwachte fout: denken dat fluoride tandplak wegspoelt. Dat doet poetsen.

Je mond is vaak erg droog. Waarom is dat slecht voor je tanden?

A

Je glazuur wordt van droogte dunner

B

Bacteriën krijgen meer suiker te eten

C

Er spoelt minder zuur en voedsel weg

D

Er komt meer zuur uit je speeksel

Speeksel spoelt zuur en etensresten weg. Met weinig speeksel blijft het zuur langer op je tanden zitten. Verwachte fout: denken dat speeksel zelf zuur is.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Delen op een tekening

2

Welk orgaan, welke taak?

3

Een situatie uitleggen

4

Tanden en tandbederf

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na.

LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL

Tips voor op het examen

  • Lees bij een tekening eerst welke letter wordt gevraagd.

  • Lever maakt gal, galblaas slaat gal op.

  • Maagzuur en speeksel beschermen tegen infecties.

  • Zuur van bacteriën tast het glazuur aan.

Deze slide heeft geen instructies