Les 4 U3 C2 OBJETO DIRECTO

1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

              ¿Qué vamos a hacer?

  1. Vocabulario
  2. El objeto directo

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Link

3. Objeto directo 
= 
Lijdend voorwerp 
Lesson up

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Hoe vind je het lijdend voorwerp in een zin?
Door de vraag te stellen:
Wie/wat + PV +onderwerp?
Ik wil olijven.                                  Wat wil ik? = olijven
Ik neem de fiets.                         Wat neem ik? = de fiets
Jij kijkt veel Netflix series.    Wat kijk jij? =  veel Netflix series
Jullie maken huiswerk.          Wat maken jullie? het huiswerk

Slide 6 - Tekstslide

Waarom?
Om onnodige herhaling te voorkomen.


Ik koop een boek, ik lees het boek, ik verkoop het boek.
Als je in bovenstaand voorbeeld weet dat 'het boek' het LV is, kun je deze in de overige zinnen vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.
Ik koop een boek, ik lees het en verkoop het.

Slide 7 - Tekstslide

Het lijdend voorwerp voornaamwoord
De functie van de persoonlijke voornaamwoorden als lijdend voorwerp is om en zelfstandig naamwoord of naam te vervangen, zodat die niet herhaald hoeven te worden.

Ik heb de berichten gezien.             Ik heb ze  gezien.
Ik heb een nieuwe tas gekocht.    Ik heb hem in Zara gekocht.

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Vandaag leer je het leer je het lijdend voorn
Wat zijn de persoonlijke voornaamwoorden als lijdend voorwerp in het Spaans?
  • me 
  • te
  • lo, la
  • nos                                              
  • os
  • los, las
let op : in het boek is een fout bij vosotros, hier is het juiste. 

Slide 10 - Tekstslide

Plaats in de zin
Wanneer je het vervangt door een voornaamwoord (hem, haar, het, ze), verandert de plek:
1.       Vóór het vervoegde werkwoord:
 • Lo compro. (Ik koop het / hem.)
 • La veo. (Ik zie haar / het.)
2.         Vastgeplakt achter een infinitief (hele werkwoord), gerundio of 
 • Quiero comprarlo. of Lo quiero comprar. (Ik wil het kopen.)
 • Estoy comprándolo. (Ik ben het aan het kopen.)

Slide 11 - Tekstslide

Voorbeeld:
  • Juan me espera                   > Juan wacht op mij
  • ¡Te quiero!                               > Ik hou van jou
  • Nos invitan a una fiesta    > Zij nodigen ons uit voor een feest
  • Quiero verlo                             ik wil hem zien.

Slide 12 - Tekstslide

Vervang het lv door LO, LA, LOS, LAS.
¿Conoces a la profesora? Si... conozco.
A
lo
B
los
C
las
D
la

Slide 13 - Quizvraag

¿has visto la nieve en las montañas?
No, no .... he visto
A
la
B
lo
C
las
D
los

Slide 14 - Quizvraag

Hay un concierto de U2 en la Arena, ¿.... vamos a ver?
A
lo
B
la
C
los
D
las

Slide 15 - Quizvraag

Juan necesito unos libros de Historia ¿me... compras?


A
los
B
las
C
la
D
lo

Slide 16 - Quizvraag

Slide 17 - Link

Tengo que comprar huevos
... tengo que comprar.

A
la
B
lo
C
las
D
los

Slide 18 - Quizvraag

¿Quieres un teléfono móvil nuevo?
Si, ... quiero.

A
lo
B
la
C
los
D
las

Slide 19 - Quizvraag

Tienes que calentar el arroz

... tienes que calentar
A
los
B
las
C
la
D
lo

Slide 20 - Quizvraag

Slide 21 - Link

vervang LV en herschrijf:
Ahora hago los deberes

Slide 22 - Open vraag

Slide 23 - Link

Mis amigos y yo mañana vemos 2 películas

Slide 24 - Open vraag

Alec y Pedro toman café todos los días

Slide 25 - Open vraag

Mañana no hago los exámenes porque estoy enfermo

Slide 26 - Open vraag

Ejercicios
Gramática ejercicio  6 t/m 8

Slide 27 - Tekstslide