Domein E

Domein E
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 6 videos.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les

Domein E

Slide 1 - Tekstslide

Noem belangrijke economische levensfasen van mensen

Slide 2 - Open vraag

Inkomsten levensfase (1.1)
3 fasen leren:
Studeren, je leent vaak geld.
Werkzame leven: Je krijgt loon, die door meer ervaring steeds meer stijgt.
Pensioen: Je krijgt AOW en eventueel aanvullend gespaard pensioen. 
!!AUTO KOPEN IS GEEN LEVENSFASE!!

Slide 3 - Tekstslide

Noem grote uitgaven die passen bij een levensfase

Slide 4 - Woordweb

Uitgaven per levensfase (1.1)
18-24: Lenen voor studie
24-65: kinderen, hypotheek op een huis
65+: je geniet van je oude dag, hopelijk lagere uitgaven


AUTO IS GEEN LEVENSFASE

Slide 5 - Tekstslide

Gezinnen: Ruilen over tijd (1.1/1.2)
Wanneer iemand leent, haalt hij consumptie naar voren. Je leent nu, betaalt dit later terug. 

Sparen: Je stelt je consumptie uit naar later. 

!!NOEM ALTIJD HET VERSCHUIVEN VAN CONSUMPTIE!!

Slide 6 - Tekstslide

Voorbeeld ruilen over tijd (1.2)
Huis kopen --> Je haalt consumptie naar voren, leent daarvoor en betaalt dit in 30 jaar terug (hypotheek)
Studeren --> Nu leren en studieschuld, later meer consumptie

Slide 7 - Tekstslide

Waarom sparen of lenen? (1.3)
Stand rente: Hogere rente zorgt voor meer besparingen, minder lenen
Inflatie --> spaargeld wordt minder waard. Consumenten willen consumeren
Consumentenvertrouwen --> Als er weinig vertrouwen is, koopt men minder, dus spaart men meer
Laagconjunctuur --> mensen zijn voorzichtig en sparen eerder. 

Slide 8 - Tekstslide

Leg uit waarom inflatie voor je spaarrekening verveld is?

Slide 9 - Open vraag

Inflatie en spaargeld (1.3)
Stel: je geld op je spaarrekening groeit ieder jaar 2%. 

De inflatie is ieder jaar 4%. 

Je reële waarde van je spaargeld daalt. Door inflatie 'verdampt' je spaargeld.
Reële waarde = Nominaal - inflatie (2-4)

Slide 10 - Tekstslide

Worden mensen met een lening blij of boos door inflatie?
A
Blij
B
Boos

Slide 11 - Quizvraag

Inflatie en lenen (1.3)
Alles wordt duurder, maar je lening blijft hetzelfde/daalt. Dus door inflatie daalt de reële waarde van de schuld

Slide 12 - Tekstslide

Inflatie en lenen (1.3)
Lening voor een huis. Maandbedrag: 30 jaar lang €750.

Door inflatie gaan de lonen omhoog. 3% per jaar loonsstijging, terwijl die €750 30 jaar lang hetzelfde blijft.

Inflatie is dus goed voor de waarde van een lening. Die €750 wordt steeds minder in verhouding tot je hogere loon

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

Slide 15 - Video

Beleid overheid (2.1)
Schuld van de overheid: Jarenlang meer uitgaven dan inkomsten. = Begrotingstekort

Dit kost uiteraard rente, waardoor de schuld nog meer kan stijgen.


Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Video

Uitgestelde belasting (2.2)
Als de overheid gaat lenen, bouwt het een schuld op. Die kost rente en moet worden terugbetaald. 

Overheid heeft geld nodig om dat te kunnen betalen. Wie gaat zorgen voor die inkomsten? Juist, de burgers. 

In de toekomst dus meer belasting= uitgestelde belasting. 

Slide 18 - Tekstslide

Waar geeft de overheid geld aan uit?

Slide 19 - Woordweb

Wat zijn inkomsten van de overheid? Noem verschillende

Slide 20 - Woordweb

Inkomsten overheid

Slide 21 - Tekstslide

Inkomsten overheid (2.3)
Grootheden die worden gemeten over een bepaalde periode. 
Loonbelasting wordt bijv. betaald over een periode van een jaar. 

Grootheden die worden gemeten op een moment is bijvoorbeeld de schuld van de overheid. Te meten óp een moment. 

Slide 22 - Tekstslide

Overheidsontvangsten (2.5)
Directe belastingen --> Betaal je direct, over je loon
Indirecte belastingen --> BTW, gaat eerst naar de winkel, daarna overheid
Sociale premies --> Werkenden betalen premies aan overheid voor bijv. AOW en WW

Overig --> Inkomsten staatsloterij, boetes, ...

Slide 23 - Tekstslide

Uitgaven overheid

Slide 24 - Tekstslide

Uitgaven overheid (2.4)
Subsidies --> Cultuur, projecten, zonnepanelen..
Overheidsconsumptie --> Betalen van ambtenarensalarissen, kosten gebouwen overheid, printpapier, blabla 
Overheidsinvesteringen --> Investeren wegen en dijken, defensie, onderwijs
Overdrachtsuitgaven --> Uitkeringen aan mensen die werkloos zijn


Slide 25 - Tekstslide

Ruilen over tijd: Pensioen (3.1)
Wanneer mensen 67 worden, hebben ze recht op:

AOW (Algemene ouderdomswet) --> Geldt voor elke Nederlander
Aanvullend pensioen --> Spaar/beleg je zelf voor bij een pensioenfonds

Slide 26 - Tekstslide

Omslagstelsel (3.1)
AOW!

Werkende generatie betaalt premies
Mensen die 67+ zijn ontvangen dit geld.

Geld dat OMGESLAGEN wordt tussen generaties = omslagstelsel

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video

Kapitaaldekkingsstelsel (3.1)
Je legt premie in bij een pensioenfonds. 

Fonds belegt dat geld

Bij 67+ krijg je elke maand pensioen (+AOW dus).
Als het slecht gaat met aandelen, is dat slecht voor de pensioenpot. 

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

Problemen
Poar neem'n

Groep 67+ wordt steeds groter tov aantal werkenden
Oplossingen:
- Langer werken
- Premie omhoog
- Uitkering omlaag

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Video