Naamwoordelijk gezegde

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Naamwoordelijke gezegde

Slide 3 - Tekstslide

Opdracht 1 

1. ow = de coördinator; hij doet iets (gaat iets doen) 
2. ow = de uitverkoop; het ow is iets 
3. ow = Sommige dingen; het ow is iets 
4. ow = de voorzitter; hij doet iets (gaat iets doen) 

Slide 4 - Tekstslide


Maak opdracht 2 en 4

Slide 5 - Tekstslide


Koppelwerkwoord  ohulpwerkwoord

Video-uitleg

Maken 1, 2, 4 en 5 bladzijde 60 en 61

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Werkwoordelijk gezegde
Iemand doet iets
Katja schijnt met de zaklamp

Naamwoordelijke gezegde
Iemand is iets of wordt iets
Oscar schijnt heel betrouwbaar

Slide 8 - Tekstslide

Koppelwerkwoord
Een naamwordelijk gezegde heeft altijd een koppelwerkwoord:
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen
Hulpwerkwoord
Als er méér werkwoorden in de zin staan naast het koppelwerkwoord, zijn de overige werkwoorden allemaal hulpwerkwoorden.
Als er meer dan één werkwoord in de zin staat, is de persoonsvorm altijd een hulpwerkwoord.
Zelfstandig werkwoord
In een zin met een werkwoordelijk gezegde staat altijd een zelfstandig werkwoord.


Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Gelukkig is het grootste werk gisteren gedaan.


Van dit weer worden we vanzelf vrolijk.


Van dit weer zijn we vanzelf vrolijk geworden.

Slide 11 - Tekstslide

Opdracht 1 

1. zal = hww; worden = kww 
2. zijn = hww; geweest = kww 
3. is = hww; gedaan = zww 
4. worden = hww; verkocht = zww 

Slide 12 - Tekstslide

Opdracht 2 
1. schijnt = hww; bevatten = zww 
2. werd = hww; opgemerkt = zww 
3. bleek = hww; zijn = kww 
4. zijn = hww; staken = zww 
5. zou = hww; blijven = kww 
6. is = kww 

Slide 13 - Tekstslide

Opdracht 4 
1. juist 
2. onjuist 
3. onjuist 
4. onjuist 

Slide 14 - Tekstslide

Woordsoorten

Opdracht 5 en 6 bladzijde 61

Slide 15 - Tekstslide

Opdracht 5 

(1) Om (vz) half vier ruk ik me eindelijk (bw) los van (vz) mijn telefoon. (2) Mijn (bez.vnw) vingers zijn (hww) veranderd (zww) in een (olw) soort dode (bn) takjes – nog even en mijn touchscreen (zn) herkent me (pers.vnw) niet meer als mens (zn). (3) Ik (pers.vnw) ben zeker anderhalf uur van huis en moet nu echt (bw) beginnen aan de (blw) terugtocht. (4) Anders ben (zww) ik niet (bw) vóór donker terug. 
(5) Terwijl ik door (vz) de grijze (bn) stad loop en weer mechanisch (bw) popcorn (zn) eet, denk ik aan de verwoestingen waarover ik heb gelezen. (6) Ik denk aan (vz) de foto’s van water dat metrostations in spuit en van mensen die alles verloren hebben. 
(7) Want orkaan (zn) Sandy viel dus (bw) niet mee. 

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht 6* 

1. Juist; worden is het enige ww in de zin, dus is het kww. 
2. Onjuist; blijven heeft hier de betekenis van zich bevinden en dan is het zww. 
3. Onjuist; het kww is geweest. Het ww is is een hww. 
4.Juist; zijn is hier zww: het koppelt geen eigenschap aan het ow en het betekent hier zich bevinden. 


Slide 17 - Tekstslide