In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Onderdelen in deze les
Erfelijkheid Evolutie BK
Slide 1 - Tekstslide
In deze tekening zie je een tapir met haar jong.Het jonge dier heeft hetzelfde fenotype als het volwassen dier.
A
ja
B
nee
Slide 2 - Quizvraag
In deze tekening zie je een tapir met haar jong.Het jonge dier heeft hetzelfde genotype als het volwassen dier.
A
ja
B
nee
Slide 3 - Quizvraag
Pim heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Pim, Thijs en Anna hetzelfde DNA?
A
ja
B
nee
Slide 4 - Quizvraag
Heeft een lichaamscel van een mens 46 chromosomen?
A
ja
B
nee
Slide 5 - Quizvraag
Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?
A
ja
B
nee
Slide 6 - Quizvraag
Zijn door klimaatverandering diersoorten uitgestorven?
A
ja
B
nee
Slide 7 - Quizvraag
Zijn het ontstaan en uitsterven van organismen onderdelen van de evolutie?
A
ja
B
nee
Slide 8 - Quizvraag
John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden.
Wat is er bij John veranderd?
A
alleen fenotype
B
alleen genotype
C
zowel fenotype als genotype
Slide 9 - Quizvraag
De snoek vangt vis A. Vis B was sneller dan vis A. Daardoor kon vis B ontsnappen.
Waarvan is dit een voorbeeld?
A
van evolutie
B
van geslachtelijke voorplanting
C
van natuurlijke selectie
Slide 10 - Quizvraag
Het klein robertskruid is een plant uit de ooievaarsbekfamilie. De eicellen van deze plant bevatten 16 chromosomen. Hoeveel chromosomen bevat een cel van een blad van het klein robertskruid?
A
8
B
16
C
32
D
64
Slide 11 - Quizvraag
Op welk moment komt het genotype van een baby tot stand?
A
op het moment van de vorming van de eicel
B
op het moment van de vorming van de zaadcel die de eicel bevrucht
C
op het moment van de bevruchting van de eicel
D
op het moment van de geboorte van de baby
Slide 12 - Quizvraag
Wat is evolutie?
A
Evolutie is het ontstaan van nieuwe soorten doordat organismen met de oorspronkelijke vorm uitsterven.
B
Evolutie is de ontwikkeling van leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen.
C
Evolutie is de grotere overlevingskans van individuen met een betere aanpassing aan het milieu.
Slide 13 - Quizvraag
Ilse is geboren met lichtbruin haar (1). Ze verft haar haar blond. (2)Daarna verft ze haar haar donkerbruin (3). Wat gebeurt er met haar fenotype?
1
2
3
A
blijft hetzelfde
B
verandert bij 2 en 3
C
verandert alleen bij 2
D
verandert alleen bij 3
Slide 14 - Quizvraag
Ilse is geboren met lichtbruin haar (1). Ze verft haar haar blond. (2)Daarna verft ze haar haar donkerbruin (3). Wat gebeurt er met haar genotype?
1
2
3
A
blijft hetzelfde
B
verandert bij 2 en 3
C
verandert alleen bij 2
D
verandert alleen bij 3
Slide 15 - Quizvraag
Waardoor zijn fossielen een argument voor de evolutietheorie?
A
ze laten zien dat soorten aan elkaar verwant zijn
B
ze laten zien dat soorten zich voortplanten
C
ze laten zien dat soorten ontstaan, veranderen en verdwijnen
Slide 16 - Quizvraag
Bevat een chromosoom genen?
A
ja
B
nee
Slide 17 - Quizvraag
Chantal heeft een hond. Een spiercel van deze hond bevat 78 chromosomen. Hoeveel chromosomen heeft deze hond in een levercel?
A
39
B
78
C
156
D
36
Slide 18 - Quizvraag
Angelique en Nathalie doen beiden een uitspraak. Nathalie zegt dat de eicellen van de mens 23 chromosomen bevatten. Angelique zegt dat een hersencel van de mens 46 chromosomen bevat. Wie heeft gelijk?
A
Angelique
B
Nathalie
C
geen van beiden
D
ze hebben allebei gelijk
Slide 19 - Quizvraag
Is een mutatie een verandering van het fenotype?
A
ja
B
nee
Slide 20 - Quizvraag
Straling van de zon kan ..............veroorzaken.
A
een mutatie
B
uitzaaiing
Slide 21 - Quizvraag
In de loop van tientallen jaren zijn er steeds meer mensen gekomen die met computers werken. Is dit een voorbeeld van evolutie?
A
ja
B
nee
Slide 22 - Quizvraag
Zijn de nu levende soorten in de loop van de tijd ontstaan uit eenvoudige levensvormen?
A
ja
B
nee
Slide 23 - Quizvraag
Hoe noem je het scheiden van dieren waardoor ze elkaar niet meer ontmoeten en er twee soorten ontstaan?
A
scheiding
B
isolatie
C
ontwikkeling
Slide 24 - Quizvraag
In de afbeelding zie je een stamboom van organismen. Alle organismen zijn ontstaan uit bacteriën.
A
ja
B
nee
Slide 25 - Quizvraag
In de afbeelding zie je een stamboom van organismen. Ringwormen, rondwormen en platwormen behoren tot één groep wormen.
A
ja
B
nee
Slide 26 - Quizvraag
Welke dieren zijn het eerst ontstaan?
A
dinosauriërs
B
vissen
C
amfibieën
D
reptielen
Slide 27 - Quizvraag
Dit is een skelet van een zee-egel. We noemen dit een fossiel
A
ja
B
nee
Slide 28 - Quizvraag
Dit is een versteende afdruk van een zee-egel. We noemen dit een fossiel.
A
ja
B
nee
Slide 29 - Quizvraag
Zet in de juiste volgorde van klein naar groot:
A
cel - chromosoom - DNA - gen
B
gen - chromosoom - DNA - cel
C
gen - chromosoom -cel - DNA
D
gen - DNA - chromosoom - cel
Slide 30 - Quizvraag
Hoe noemen deze mutatie?
A
witte vrouw
B
vrouw met rode ogen
C
albino
D
mabino
Slide 31 - Quizvraag
Wanneer kon leven ontstaan?
A
toen er land ontstond
B
toen de aarde was afgekoeld en zeeën waren ontstaan
C
toen het warmer werd
Slide 32 - Quizvraag
Uit hoeveel cellen bestond het eerste leven?
A
meerdere cellen
B
een cel
C
4 cellen
Slide 33 - Quizvraag
Deze les vond ik
😒🙁😐🙂😃
Slide 34 - Poll
Ik voel mij tijdens de toetsweek
extreem gefocussed en gemotiveerdf
ik wacht de hele tijd op motivatie
ik voel geen motivatie, maar mijn ouders zetten me aan het werk
totaal gedemotiveerd:
ik begin pas als het echt te laat is
gemotiveerd, ik doe gewoon mijn taken
Slide 35 - Poll
Ik heb het leerdoel van basisstof erfelijkheid & evolutie onder de knie
😒🙁😐🙂😃
Slide 36 - Poll
Ik heb de leerdoelen van basisstof erfelijkheid & evolutie nu helemaal onder de knie