Geld, sparen en lenen (Economie vmbo), les 2: Examentraining

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Examentraining

Geld, sparen en lenen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casusvragen over saldo en rood staan, sparen en rente, leenvormen en de kosten van lenen.

Onderdelen in deze les

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Examentraining

Geld, sparen en lenen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Avij / Wikimedia Commons, publiek domein

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over de bankrekening, sparen, rente en lenen beantwoorden met een casus.

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: de casus. Wie spaart of leent, en hoeveel geld gaat erin of eruit?

  • 2. Zoek: het begrip dat past: saldo, rente, sparen, een leenvorm of kredietkosten.

  • 3. Reken: noteer de som, reken stap voor stap en controleer twee keer.

  • 4. Kies: het antwoord en controleer of de andere opties echt niet kloppen.

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Vraagtype 1: saldo en rood staan

  • Nieuw saldo = oud saldo + bijschrijvingen - afschrijvingen.

  • Onder nul is een debetsaldo (rood staan), boven nul een creditsaldo (tegoed).

  • Bij rood staan hoort debetrente, bij een tegoed creditrente.

Debet- en creditsaldo en de rentes zijn alleen KB en GL/TL; BB oefent het saldo berekenen.

Lars heeft 40 euro saldo, pint 55 euro en krijgt 10 euro. Wat is zijn saldo?

A

-5 euro: een debetsaldo

B

-15 euro: een debetsaldo

C

-25 euro: een debetsaldo

D

5 euro: een creditsaldo

40 - 55 + 10 = -5. Verwachte fouten: de 10 euro vergeten (-15), de 10 euro aftrekken (-25) of het minteken vergeten (5).

Kai staat rood. Welke rente betaalt hij aan de bank?

A

Creditrente over zijn tegoed

B

Renteopbrengst over zijn spaargeld

C

Debetrente over zijn debetsaldo

D

Geen rente, rood staan is gratis

Rood staan kost debetrente. Creditrente krijg je over een tegoed.

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Vraagtype 2: sparen en rente

  • Motieven om te sparen: voor een doel, uit voorzorg of voor de renteopbrengst.

  • Rentebedrag = bedrag x rentepercentage x looptijd.

  • Reken het percentage om: 1% is 0,01 en 5% is 0,05.

Alle leerwegen. Rente alleen over het beginbedrag (enkelvoudig).

Jessica zet elke maand 20 euro apart voor een nieuwe laptop. Welk motief?

A

Sparen uit voorzorg

B

Sparen voor de renteopbrengst

C

Sparen voor een doel

D

Lenen voor een tijdelijk geldtekort

Ze spaart voor een bekend doel: de laptop.

Jesse zet 800 euro op een spaarrekening tegen 1% per jaar. Rente na 3 jaar?

A

24 euro

B

8 euro

C

240 euro

D

824 euro

800 x 0,01 = 8 euro per jaar en 8 x 3 = 24 euro. Verwachte fouten: maar één jaar rekenen (8), de komma verkeerd zetten (240) of het eindbedrag nemen (824).

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Rij woningen in Hoorn

Vraagtype 3: leenvormen

  • Hypotheek: lening voor een eigen woning.

  • Doorlopend krediet: opnemen tot een maximum. Persoonlijke lening: vast bedrag, vaste termijnen.

  • Huurkoop: pas van jou na de laatste termijn. Koop op afbetaling: meteen van jou. Leasing: alleen gebruik.

Alle leerwegen kennen de leenvormen. Vraag bij elke casus: wat wordt gekocht en wie is eigenaar? Image credit: Dqfn13 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Familie Bakker koopt een huis en leent daarvoor bij de bank. Welke leenvorm?

A

Leasing

B

Huurkoop

C

Doorlopend krediet

D

Hypotheek

Een lening voor een eigen woning heet hypotheek.

Dewi neemt een tv mee. De tv is pas van haar na de laatste termijn. Welke vorm?

A

Koop op afbetaling

B

Huurkoop

C

Doorlopend krediet

D

Persoonlijke lening

Pas eigenaar na de laatste termijn: huurkoop. Bij koop op afbetaling is het product meteen van jou.

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Wasmachines in een winkel

Vraagtype 4: kosten van lenen en banken

  • Kredietkosten zijn alle extra kosten van lenen.

  • Bij afbetaling: alle termijnen samen min de prijs zijn de kredietkosten.

  • De bank vraagt lieners een hogere rente dan ze spaarders geeft.

Alleen KB en GL/TL. Controle: 10 x 42 = 420 en 420 - 400 = 20. Image credit: Stilfehler / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Wasmachine: 400 euro. Op afbetaling 10 termijnen van 42 euro. Kredietkosten?

A

20 euro

B

2 euro

C

42 euro

D

420 euro

10 x 42 = 420 euro in totaal, min de prijs van 400 euro is 20 euro. Verwachte fout: het totaal van de termijnen noemen (420).

De bank geeft spaarders rente en vraagt lieners rente. Hoe verdient ze zo?

A

De rente voor spaarders is hoger dan voor lieners

B

Lieners betalen rente, spaarders krijgen er geen

C

De rente voor lieners is hoger dan voor spaarders

D

Spaarders en lieners betalen allebei evenveel

De bank is bemiddelaar en houdt het renteverschil over.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Saldo en rood staan

2

Sparen en rente

3

Leenvormen

4

Kosten van lenen en banken

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Tips voor op het examen

  • Staat het saldo onder nul? Dan is het een debetsaldo: je staat rood.

  • Reken rente met bedrag x percentage x jaren en controleer twee keer.

  • Leenvormen herken je aan de eigenaar: huurkoop pas na de laatste termijn, afbetaling meteen.

  • Kredietkosten: wat je in totaal terugbetaalt min wat je leende.

Deze slide heeft geen instructies