CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Examentraining
Monetair beleid en banken: zo pak je examenvragen aan
CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Examentraining
Monetair beleid en banken: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Avij / Wikimedia Commons, publiek domein
CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan balansmutaties bij kredietverlening en aflossing volgen en een redeneerketen over rente, krediet en geldhoeveelheid opstellen.
Deze slide heeft geen instructies
CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: bepaal wat er gebeurt: een lening, een aflossing, een renteverandering of een bankrun.
2. Teken: zet het gegeven op een balans: bezittingen links, schulden en eigen vermogen rechts.
3. Volg: elke mutatie raakt beide kanten even sterk; M1 volgt de bankdeposito's.
4. Redeneer: refi-rente, financieringskosten, kredieten, bankdeposito's, geldhoeveelheid. Controleer de richting.
Deze slide heeft geen instructies
CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Vraagtype 1: balansmutaties volgen
Een lening verhoogt de leningen en de bankdeposito's met hetzelfde bedrag; een aflossing verlaagt ze.
Het tegoed bij de ECB en het eigen vermogen veranderen daarbij niet.
Het balanstotaal is de som van alle bezittingen en hetzelfde bedrag aan schulden en eigen vermogen.
Deze slide heeft geen instructies
Een bank heeft 50.000 aan leningen en 60.000 aan bankdeposito's. Ze verstrekt een lening van 8.000 euro. Wat zijn nu de leningen en bankdeposito's?
Leningen 58.000, bankdeposito's 60.000
Leningen 50.000, bankdeposito's 68.000
Leningen 58.000, bankdeposito's 68.000
Leningen 42.000, bankdeposito's 52.000
Beide kanten +8.000. De fout 58.000 en 60.000 vergeet de depositocreatie.
Een bank heeft 30.000 tegoed bij de ECB, 70.000 aan leningen, 90.000 bankdeposito's en 10.000 eigen vermogen. Een bedrijf lost 15.000 af. Wat is het balanstotaal?
85.000
100.000
115.000
55.000
Leningen 55.000, bankdeposito's 75.000. Totaal 30.000 + 55.000 = 85.000 en 75.000 + 10.000 = 85.000. Fout 55.000 is alleen de leningen.
CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Vraagtype 2: redeneerketen opstellen
Stel de keten op in vaste volgorde: refi-rente, financieringskosten, kredieten, bankdeposito's, geldhoeveelheid.
Elke schakel gaat dezelfde kant op als de vorige.
Let op procentpunt of procent: van 4% naar 5% is 1 procentpunt, maar een stijging van 25%.
Deze slide heeft geen instructies
De ECB verlaagt de refi-rente. Welke keten klopt?
Lagere financieringskosten, minder kredieten, minder bankdeposito's, tragere geldgroei
Lagere financieringskosten, meer kredieten, meer bankdeposito's, snellere geldgroei
Hogere financieringskosten, meer kredieten, meer bankdeposito's, snellere geldgroei
Lagere financieringskosten, meer kredieten, minder bankdeposito's, snellere geldgroei
De keten loopt steeds dezelfde kant op. Verwachte fout: schakels laten wisselen.
M1 daalt. Wat geldt dan voor de kredieten van banken?
De nieuwe kredieten zijn groter dan de aflossingen
Banken verstrekken geen enkel nieuw krediet meer
Banken hebben meer contant geld in hun kluizen
De aflossingen zijn groter dan de nieuwe kredieten
Per saldo is er meer geldvernietiging dan geldschepping. Fout: denken dat nieuwe kredieten nul moeten zijn.
CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Vraagtype 3: mandaat en afweging
Bepaal eerst het mandaat: enkelvoudig (prijsstabiliteit) of duaal (prijsstabiliteit en groei).
Zet daarna de situatie ernaast: hoge inflatie, zwakke groei of allebei.
Een argument moet passen bij het mandaat en bij de situatie.
Deze slide heeft geen instructies
De inflatie ligt boven het doel en de groei stagneert. Welke centrale bank heeft de lastigste afweging?
De Fed: ze moet prijsstabiliteit en groei afwegen
De ECB: ze moet prijsstabiliteit en groei afwegen
De Fed: zij heeft alleen prijsstabiliteit als doel
De ECB: zij moet de begroting van landen bijsturen
Alleen de Fed heeft een duaal mandaat.
Welk argument pleit voor een enkelvoudig mandaat?
Groei is altijd belangrijker dan inflatie
Het verlaagt de werkloosheid in elk geval
Eén duidelijk doel maakt het beleid voorspelbaar en toetsbaar
Het geeft de regering meer invloed op de rente
Een enkelvoudig mandaat levert een helder doel op. De andere opties zijn onjuist of absoluut.
CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Vraagtype 4: bankrun en vangnetten
Vergelijk wat direct beschikbaar is met wat spaarders kunnen opvragen.
Percentage dat tot een tekort leidt = direct beschikbaar gedeeld door bankdeposito's.
Daarna komen de vangnetten: depositogarantiestelsel en lener in laatste instantie.
Deze slide heeft geen instructies
Een bank heeft 400 miljoen aan bankdeposito's en 60 miljoen direct beschikbaar. Bij welk deel dat wordt opgevraagd ontstaat een tekort?
Meer dan 6%
Meer dan 40%
Meer dan 15%
Meer dan 60%
60 gedeeld door 400 is 0,15, dus 15%.
Zet het verloop van een bankrun op volgorde
Angst, opnames, tekort, steun.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Balansmutaties volgen
Redeneerketen opstellen
Mandaat en afweging
Bankrun en vangnetten
Deze slide heeft geen instructies
CONJUNCTUUR · GELD EN BANKEN
Tips voor op het examen
Teken bij elke rekenvraag eerst de balans: beide kanten veranderen even veel.
Schrijf een keten als een rij schakels en controleer of elke schakel dezelfde kant op gaat.
Lees bij percentages of het om procentpunten of procenten gaat.
Deze slide heeft geen instructies