Kleding
wassen
Sorteren, labels lezen, wasmiddel en de wasmachine
Zorg & Welzijn | Mens en omgeving
Kleding
wassen
Sorteren, labels lezen, wasmiddel en de wasmachine
Zorg & Welzijn | Mens en omgeving
Leerdoel
Aan het einde van de les kun je een wasmand sorteren, het waslabel lezen, het juiste wasmiddel kiezen en de wasmachine goed vullen en instellen.
P/ZW/2.2 Textiel verzorgen | Mens en omgeving
Wat ga je leren?
Sorteren
Je kunt was sorteren.
Waslabel
Je snapt de wassymbolen.
Wasmiddel
Je kiest het juiste wasmiddel.
Wasmachine
Je weet hoe je de machine vult en instelt.
Even nadenken
Wat gaat er mis als je alle was bij elkaar in de wasmachine doet?
Sorteren
Wit, bont, donker of fijn?
Waarom sorteer je?
Kleur loopt uit
Een rode sok maakt je witte shirt roze. Donkere was geeft kleur af.
Wol krimpt
In warm water wordt je wollen trui te klein. Wol was je op 30 graden.
Temperatuur
Handdoeken kunnen warm, een trui niet. Kijk op het etiket.
Sorteren houdt je was heel en schoon.
Was sorteren: 4 stapels
60°
Witte was
Witte handdoeken, lakens, onderkleding
40°
Bonte was
Gekleurde kleding
30°
Donkere was
Zwart en donkerblauw apart, anders wordt het dof
fijn
Fijne was
Wol, zijde, kant. Fijnwasprogramma
Wit en donker samen wassen?
wit
+ donker
De kleur loopt uit
Donkere was geeft kleurstof af aan het water.
Wit wordt grijs
De witte kleding verkleurt en ziet er vies uit.
Daarom: donker bij donker en licht bij licht.
Soorten textiel
Katoen
Sterk. Kan warm. Krimpt wel.
Wol
Kwetsbaar. 30 graden of handwas.
Synthetisch
Droogt snel. Niet tegen hitte.
Zijde en viscose
Handwas of fijnwas.
Linnen
Sterk, maar kreukt erg.
Het waslabel
Wat betekenen die symbolen?
Waarom lees je het waslabel?
Het label zit in je kleding, meestal in de zijnaad of de nek.
Hoe was je het?
Op het label staat de temperatuur en het programma.
Het gaat niet kapot
Krimpen, verkleuren en uitrekken voorkom je.
Het blijft mooi
Kleding gaat langer mee als je het label volgt.
Op het label staat waar het van gemaakt is en hoe je het wast.
Symbolen: wassen
Max. 30 °C
Max. 40 °C
Max. 60 °C
Handwas, lauw water
Niet wassen
Een streep onder het teiltje betekent: fijnwasprogramma.
Symbolen: bleken en strijken
Bleken mag
Niet bleken
Niet strijken
Strijken koel (1 stip)
Strijken medium (2 stippen)
Strijken heet (3 stippen)
Symbolen: drogen
Droger mag
Droger lage temperatuur (1 stip)
Droger normaal (2 stippen)
Niet in de droger
Liggend drogen
Hangend drogen
Symbolen: stomerij en wringen
Naar de stomerij (P)
Naar de stomerij (F)
Niet chemisch reinigen
Niet wringen
De letter zegt welk middel de stomerij gebruikt.
Welk symbool is dit?
Drogen op 40 graden
Strijken op 40 graden
Wassen op max 40 graden
Handwas
Welk symbool is dit?
Bleken
Niet bleken
Niet strijken
Strijken
Welk symbool is dit?
Niet drogen
Niet strijken
Niet chemisch reinigen
Niet wassen
OPDRACHTEN MAKEN
Gebruik je opdracht met wassymbolen
minute
second
Wasmiddel en water
Wat kies je, en hoeveel?
Vlekken inweken
Wat?
Eiwitvlekken
Bloed, gras, zweet en melk.
Hoe?
Eerst inweken
Eerst inweken met voorwasmiddel. Gebruik lauw water.
Let op!
Niet op wol en zijde
Gebruik het niet op wol en zijde.
Wat zit er in wasmiddel?
vet
Wasactieve stoffen
Halen vet en vuil los.
eiwit
Enzymen
Breken eiwitvlekken af.
wit
Bleekmiddel
Houdt wit wit. Niet voor bonte was.
kalk
Waterontharders
Vangen kalk op.
Welk wasmiddel kies je?
Poeder
Wit en warm
Vloeibaar
Kleur en koud
Fijnwasmiddel
Wol, zijde, kant
Hard of zacht water?
Hard water heeft veel kalk.
Hoe harder het water, hoe meer wasmiddel je nodig hebt.
Waterhardheid in Amersfoort
5,4 °dH
ZACHT
zacht
hard
Zoek op: hoe hard is het water in jouw woonplaats?
waterhardheidkaart.nl
Vul je postcode in.
Hoeveel wasmiddel?
Kijk op de verpakking: daar staat een tabel per waterhardheid en hoe vuil de was is.
Wat gebeurt er bij te weinig wasmiddel?
Waarom niet te veel wasmiddel?
Waar of niet waar?
Meer wasmiddel = schonere was.
WAAR
NIET WAAR
Wol was je op 60 graden.
WAAR
NIET WAAR
Bij hard water heb je meer wasmiddel nodig.
WAAR
NIET WAAR
AFSPRAKEN IN DE LES
Geen kauwgom
1x waarschuwing
2x strafwerk voor thuis
3x vrijdagmiddag kauwgom krabben
Alleen oortjes tijdens zelfstandig werken, geen koptelefoon
Tijdens de theorie gaan de oortjes uit
Zitten op de stoel
Niet naar de wc
Geen jassen
Geen bodywarmer
Tassen in de kast
Telefoon thuis of in de kluis
3x een waarschuwing = eruit
BLOK 4
De wasmachine
Vullen, instellen, drogen
Eerst voorbereiden
1
Zakken leeg
Haal alles uit de zakken voordat de kleding in de wasmachine gaat.
2
Ritsen dicht
Ritsen, haakjes en oogjes sluiten. Anders haken ze achter ander wasgoed.
3
Binnenstebuiten
Keer donkere en bedrukte kleding binnenstebuiten. Dat beschermt de kleur en de print.
4
Waszakje
Doe kwetsbaar textiel, zoals bh's met beugels en panty's in een waszakje.
De wasmachine vullen
1
Trommel driekwart vol
Er moet nog een hand bovenop kunnen.
2
Wasmiddel met de dop
Volgens de verpakking en de waterhardheid.
3
Juiste vakje
I voorwas, II hoofdwas, bloemetje wasverzachter.
4
Programma en temperatuur
Kies op het laagste etiket in de trommel.
De wasmiddellade
I
Voorwas
II
Hoofdwas
Wasverzachter
Het bloemetje is voor wasverzachter. Vul niet boven MAX.
Waar let je op tijdens de praktijk?
H
Hygiënisch
Was je handen voor en na het werk.
Houd vuile en schone was gescheiden.
Werk met een schone werkplek.
V
Veilig
Werk volgens de voorschriften.
Veeg gemorst water en wasmiddel meteen op.
Houd wasmiddel dicht en uit je ogen.
E
Ergonomisch
Zet de wasmand op werkhoogte.
Til door je knieën.
Til niet met een gebogen rug.
M
Milieubewust
Let op water en energie.
Gebruik niet te veel wasmiddel.
Vul de trommel niet te weinig.