3.1 Hoe betaal je?

Je zorgpremie stijgt harder dan je loon.
Je koopkracht:
A
stijgt
B
daalt
1 / 30
volgende
Slide 1: Quizvraag
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Je zorgpremie stijgt harder dan je loon.
Je koopkracht:
A
stijgt
B
daalt

Slide 1 - Quizvraag

Je loon stijgt met 2%, de kosten voor gas en elektra dalen met 5%. Je koopkracht...
A
stijgt
B
daalt

Slide 2 - Quizvraag

De regering kondigt forste belastingverhogingen aan.
Je koopkracht...
A
stijgt
B
daalt

Slide 3 - Quizvraag

Er wordt voor komend jaar gerekend op een deflatie van 1 %.
Je koopkracht...
A
stijgt
B
daalt

Slide 4 - Quizvraag

Het basisjaar is 2012
Indexcijfer lonen mei 2016 108
Indexcijfer lonen juni 2016 109
Wat betekent dat laatste?
A
De lonen zijn in juni 109% gestegen t.o.v. mei
B
De lonen zijn in juni 9% gestegen t.o.v. mei
C
De lonen zijn in juni 109% gestegen t.o.v. 2012
D
De lonen zijn in juni 9% gestegen t.o.v. 2012

Slide 5 - Quizvraag

In het basisjaar was de prijs van een paar voetbalschoenen
€ 45.
Zes jaar later is de prijs € 63.
Wat is het nieuwe indexcijfer? (van 6 jaar later)

Slide 6 - Open vraag

BETALEN

Slide 7 - Tekstslide

Leerdoelen
Na deze les kun je uitleggen wat de verschillende geldfuncties zijn. Je kunt uitleggen welke geldsoorten er bestaan en wat er met de chartale en girale geldhoeveelheid gebeurt in verschillende situaties. Je kunt een saldo op een betaalrekening uitrekenen, én je kunt uitleggen wat een creditcard is.

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Betalen of ruilen
Als je consumeert, koop je producten en in ruil daarvoor betaal je meestal geld. Soms kun je ook producten tegen elkaar ruilen, zonder dat daar geld aan te pas komt.

Als je met geld betaalt, kan dat op meerdere manieren, bijvoorbeeld met contant geld, of met je pinpas. Ook kun je een creditcard gebruiken, of geld naar iemand overmaken.

Slide 10 - Tekstslide

Directe ruil
Je ruilt goederen en diensten voor andere goederen of diensten.

Slide 11 - Tekstslide

Indirecte ruil
Je ruilt goederen en diensten voor geld.

Slide 12 - Tekstslide

Geldfuncties
Geld heeft drie functies:
  1. Ruilmiddel: je ruilt goederen of diensten voor geld.
  2. Rekenmiddel: je geeft aan hoeveel iets waard is.
  3. Spaarmiddel: geld opzijleggen en niet uitgeven.

Slide 13 - Tekstslide

Geldsoorten
Er zijn twee soorten geld:
  • chartaal geld
  • giraal geld

Slide 14 - Tekstslide

Chartaal geld
Contant geld: munten en bankbiljetten.

Slide 15 - Tekstslide

Giraal geld
Geld op de bank waar je via je pinpas mee kunt betalen. Dus niet je geld op een spaarrekening.

Slide 16 - Tekstslide

Op mijn spaarrekening staat € 100.
Is dit chartaal geld of giraal geld?
A
chartaal
B
giraal
C
geen van beide
D
beide

Slide 17 - Quizvraag

Wat gebeurt er als je geld opneemt?
Als je geld opneemt bij een geldautomaat dan daalt de hoeveelheid giraal geld en stijgt de hoeveelheid chartaal geld.


Slide 18 - Tekstslide

Yara pint €25 bij de geldautomaat.
Met dit biljet betaalt zij de boodschappen.
Welke bewering is juist?
A
De hoeveelheid chartaal geld daalt en giraal geld stijgt.
B
De hoeveelheid chartaal geld blijft en giraal geld stijgt.
C
De hoeveelheid chartaal geld stijgt en giraal geld daalt.
D
De hoeveelheid chartaal geld daalt en giraal geld blijft gelijk.

Slide 19 - Quizvraag

Als je contactloos betaalt, wat gebeurt er dan met jouw chartale en girale geld?
A
chartaal: blijft gelijk giraal: neemt toe
B
chartaal: neemt toe giraal: neemt toe
C
chartaal: neemt af giraal: neemt toe
D
chartaal: blijft gelijk giraal: neemt af

Slide 20 - Quizvraag

Creditcard
Betalen met de creditcard is een vorm van giraal betalen. De creditcardmaatschappij schiet het geld voor.
Pas aan het eind van de maand worden de betalingen van je rekening afgeschreven.

Slide 21 - Tekstslide

Bankrekening

Creditsaldo:

Bij een positief saldo, heb je geld te goed, je staat in de "plus". 


Debetsaldo

Als je meer uitgeeft dan tot je op je rekening hebt staan, ontstaat er een tekort. Zo een negatief saldo noem je ook wel 'rood staan'.

Slide 22 - Tekstslide

Nieuw saldo berekenen
Oud saldo
+ Ontvangsten
- Uitgaven
------------
Nieuw saldo

Slide 23 - Tekstslide

Welke 3 geldfuncties ken je?

Slide 24 - Open vraag

Wat is een ander woord voor contant geld?
A
giraal geld
B
chartaal geld

Slide 25 - Quizvraag

Sleep de begrippen naar de juiste afbeelding.
Giraal geld
Chartaal geld

Slide 26 - Sleepvraag

Het kopen van een spijkerbroek bij de H&M is ...
A
directe ruil.
B
indirecte ruil.

Slide 27 - Quizvraag

Sleep onderstaande situaties naar het juist begrip.
Chartaal geld
Giraal geld
Contactloos betalen
Betalen met euromunten
Betalen met creditcard
Geld overmaken

Slide 28 - Sleepvraag

Welk voorbeeld is GEEN voorbeeld van directe ruil?
A
banaan voor een pen
B
banaan voor geld
C
pen voor een appel
D
appel voor een banaan

Slide 29 - Quizvraag

Oud saldo €75. Oma maakt € 10 naar jou over. Je koopt broodjes (€ 5) en pennen (€ 3). Wat is het nieuwe saldo?

Slide 30 - Open vraag