VORMING · PARADIGMA'S
Paradigma's op socialisatie
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
VORMING · PARADIGMA'S
Paradigma's op socialisatie
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: B3 (6). Image credit: Rob Mieremet / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
VORMING · PARADIGMA'S
Wat ga je kunnen?
Ik kan socialisatie en politieke socialisatie vanuit het functionalisme, het conflictparadigma en het sociaalconstructivisme verklaren en er hypothesen over formuleren.
Deze slide heeft geen instructies
Waarom wordt iemand zoals hij of zij wordt? Noem alles wat je verklaart.
Laat leerlingen woorden inbrengen. Verwachte woorden: opvoeding, normen, rollen, macht, geld, kansen, ongelijkheid, beelden, identiteit, eigen keuzes, school, vrienden. Sorteer ze met de klas in drie stapels: woorden over orde en rollen (functionalisme), over macht en ongelijkheid (conflictparadigma) en over betekenis en eigen identiteit (sociaalconstructivisme). Zo krijgen de drie paradigma's een eerste plek. Syllabus 6.
VORMING · PARADIGMA'S
Wat is een paradigma?
Paradigma: een theoretische traditie, waarin theorieën zijn gegroepeerd rond een eigen kijk op de samenleving.
Elk paradigma legt de nadruk op een ander aspect, zoals systeem of actor en orde of conflict.
Hoofd- en kernconcepten, zoals socialisatie, kunnen in elk paradigma een andere betekenis hebben.
De paradigma's staan niet per se haaks op elkaar en vullen elkaar vaak aan.
Hier: functionalisme, conflictparadigma en sociaalconstructivisme, toegepast op (politieke) socialisatie.
Syllabus 2.5 en 6: theorieën kunnen worden gegroepeerd rond een beperkt aantal theoretische tradities, ook wel paradigma's genoemd. Iedere traditie legt de nadruk op een ander aspect, zoals systemen of actoren en conflict of orde. Modern onderzoek combineert vaak inzichten uit verschillende tradities. Voor deze les zijn drie paradigma's nodig (subdomein B3, specificatie 6). Gebruik de jou bekende kijk op socialisatie uit de les Socialisatie en identiteit als context; die begrippen worden hier niet herhaald. Veelgemaakte fout: denken dat een paradigma 'goed' of 'fout' is. Het is een kijk die iets zichtbaar maakt en iets anders minder.
Leerlingen in een werkplaats met machines en werkbanken, 1923
VORMING · PARADIGMA'S
Functionalisme: samenleving als organisme
Functionalisme: samenleving als systeem van geordende onderdelen met elk een functie.
Orde en sociale cohesie: instituties en rollen hangen samen en zijn van elkaar afhankelijk.
Gedeelde normen en waarden zijn stabilisatoren; verstoringen worden binnen het systeem gereguleerd.
Ongelijke bijdragen worden ongelijk beloond: ongelijkheid is niet per se onrechtvaardig.
Syllabus 2.5: de samenleving is een organisme, een functioneel systeem van geordende onderdelen (de instituties en de rollen van de leden) die elk bijdragen aan het geheel. Nadruk op orde en sociale cohesie. Veranderen de omstandigheden of raakt het evenwicht verstoord, dan vindt het systeem een nieuw evenwicht, zoals een organisme zich aanpast. Onderdelen verschillen in hun bijdrage aan het voortbestaan en worden daarom in andere mate beloond en gewaardeerd: zo ontstaat sociale ongelijkheid, die tot op zekere hoogte zelfs noodzakelijk is. Hier hoort de roltheorie bij. Foto: leerlingen die opgeleid worden voor een plek in het systeem. Veelgemaakte fout: denken dat het functionalisme ongelijkheid 'goed' vindt. Het zegt dat ze samenhangt met functies en niet per se onrechtvaardig is. Image credit: Onbekende maker / Wikimedia Commons, publiek domein
Meisjes krijgen Franse les bij instituut Schoevers, 1916
VORMING · PARADIGMA'S
Functionalisme op socialisatie
De samenleving drukt via geïnternaliseerde rolverwachtingen haar stempel op de persoonlijkheid.
Een rolverwachting is wat bij een rol hoort aan normen en verwachtingen.
Identiteit is een product van de normen en verwachtingen bij je rol.
Socialisatie draagt de (politieke) cultuur over en laat die voortbestaan, al kan ze veranderen.
Syllabus 6: binnen het functionalisme wordt ervan uitgegaan dat de samenleving via geïnternaliseerde rolverwachtingen haar stempel op de persoonlijkheid van haar leden kan drukken. Identiteit is een product van de normen en verwachtingen behorende bij iemands specifieke rol. De handelende mens is een sociaal-cultureel wezen. Aandacht voor het voortbestaan van de (politieke) cultuur en de (politieke) integratie van de persoonlijkheid, met nadruk op normen en waarden, opvattingen en gedragspatronen. Socialisatie is het middel om de cultuur over te dragen, zij het dat die kan veranderen. Foto uit 1916: jonge vrouwen worden opgeleid voor een beroep met een bepaalde plaats in de samenleving. Vraag: welke rolverwachtingen zie je in de foto? Veelgemaakte fout: denken dat de cultuur volgens het functionalisme nooit verandert. Image credit: Kees Hofker / Wikimedia Commons, publiek domein
Vul in
Volgens het functionalisme vormt de samenleving iemands persoonlijkheid via geïnternaliseerde rolverwachtingen, zodat de sociale cohesie behouden blijft.
Syllabus 6 en 2.5. Goed: rolverwachtingen en sociale cohesie. Verwachte fout: machtsverschillen invullen; dat hoort bij het conflictparadigma.
Waarom is ongelijkheid volgens het functionalisme niet per se onrechtvaardig?
Alle onderdelen hebben precies evenveel macht
Verschillen tussen mensen bestaan volgens dit paradigma niet
Ze komt voort uit beelden die mensen samen vormen
Verschillen in bijdrage worden verschillend beloond
Syllabus 2.5: onderdelen verschillen in hun bijdrage aan voortbestaan en functioneren en worden daarom in andere mate beloond en gewaardeerd. Het prestige van een beroep hangt samen met de functie ervan. Verwachte fout: de laatste optie; dat is de verklaring van het sociaalconstructivisme.
Dolle Mina's op de Dam, Amsterdam, 1970
VORMING · PARADIGMA'S
Conflictparadigma: ongelijkheid en macht
Conflictparadigma: tegenstellingen en conflicten zijn de motor van verandering in de samenleving.
Ongelijkheid berust op machtsverschillen door een ongelijke verdeling van hulpbronnen.
Hulpbronnen: economisch, politiek, cultureel en sociaal kapitaal.
Groepen met dezelfde belangen voeren samen de strijd; daarna ontstaan soms nieuwe ongelijkheden.
Syllabus 2.5: de nadruk ligt op sociale ongelijkheid en conflict. Ongelijkheid berust op machtsverschillen, die ontstaan door ongelijke verdeling van geld, politieke macht, aanzien en sociale contacten (economisch, politiek, cultureel en sociaal kapitaal). Steeds ontstaan er tegenstellingen en conflicten die leiden tot een nieuwe situatie, soms met nieuwe ongelijkheden. Groeperingen met dezelfde belangen voeren samen de strijd en zo komt sociale cohesie tussen groepen tot stand. Foto: de Dolle Mina's in 1970, een voorbeeld van een groep die strijd voert voor emancipatie van vrouwen. Veelgemaakte fout: conflict gelijkstellen aan geweld. Het gaat om tegenstellingen en strijd om hulpbronnen. Image credit: Rob Mieremet / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
VORMING · PARADIGMA'S
Aannames van het conflictparadigma
Ongelijkheden zijn het gevolg van machtsverschillen en leiden tot tegenstellingen, conflicten of strijd.
Strijd kan ongelijkheid doen verdwijnen, door afschaffing van machtsmiddelen of herverdeling van hulpbronnen.
Na verloop van tijd ontstaan weer nieuwe vormen van ongelijkheid.
Gedeelde normen en waarden ontbreken nagenoeg of worden opgelegd door een dominante groepering.
Hierbij horen (neo)marxistische theorieën en theorieën over de emancipatie van vrouwen en minderheden.
Syllabus 2.5, aannames van het conflictparadigma. Let op het verschil met het functionalisme: waar het functionalisme gemeenschappelijke normen en waarden als stabilisator ziet, zijn die hier nagenoeg afwezig of opgelegd door een dominante groepering. Veelgemaakte fout: denken dat na de strijd de ongelijkheid voorgoed weg is. Volgens het paradigma ontstaan na verloop van tijd weer nieuwe vormen.
Dolle Mina's in de redactie van het damesblad Margriet, 1970
VORMING · PARADIGMA'S
Conflictparadigma op socialisatie
Socialisatie betekent hier dat je machtsverhoudingen leert herkennen.
Aandacht voor hoe verschillen in sociaal, economisch en cultureel kapitaal doorwerken.
Opvoeding en opleiding verdelen posities ongelijk, naar klasse, gender, religie, etniciteit of leeftijd.
Politiek: invloed op politieke opvattingen, ongelijke deelname aan besluitvorming en politieke strijd.
Syllabus 6: vanuit het conflictparadigma wordt aandacht besteed aan de betekenis van socialisatie voor ongelijkheid, ongelijke machtsverhoudingen en (potentiële) conflicten op lokaal, (inter)nationaal of mondiaal niveau. Socialisatie betekent dat men machtsverhoudingen leert herkennen. Het gaat om de effecten van opvoeding en opleiding op de ongelijke verdeling van maatschappelijke posities naar sociale klasse, gender, religie, etniciteit of leeftijd. Op politiek niveau: de invloed van socialisatie op politieke opvattingen, de voorkeur voor ideologieën, ongelijke deelname aan besluitvorming, politieke strijd en samenwerking. Foto uit 1970: actievoerders confronteren een blad met de manier waarop vrouwen in beeld werden gebracht. Veelgemaakte fout: kapitaal alleen als geld zien. Het conflictparadigma noemt ook politiek, cultureel en sociaal kapitaal. Image credit: Bert Verhoeff / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Noem een hulpbron waarover groepen strijden.
Goed antwoord: geld of bezit (economisch kapitaal), politieke macht (politiek kapitaal), aanzien of kennis (cultureel kapitaal) of sociale contacten (sociaal kapitaal). Verwachte fout: alleen 'geld' noemen; vraag door naar de andere vormen. Syllabus 2.5.
Rijke en arme kinderen krijgen andere kansen. Wat zegt het conflictparadigma?
Ieder neemt de rol over die de samenleving nodig heeft
Ongelijk kapitaal en macht werken door in socialisatie
Elk kind construeert volledig vrij de eigen werkelijkheid
Het verschil is een natuurlijk gevolg van erfelijke aanleg
Syllabus 6: het conflictparadigma kijkt naar de effecten van opvoeding en opleiding op de ongelijke verdeling van posities en naar de doorwerking van verschillen in kapitaal. Verwachte fout: de eerste afleider, het functionalisme, omdat ook daar socialisatie en rollen centraal staan.
VORMING · PARADIGMA'S
Sociaalconstructivisme: betekenisgeving
Sociaalconstructivisme: actoren interpreteren en definiëren samen de sociale werkelijkheid en construeren die zo.
Thomas-theorema: als mensen situaties als werkelijk definiëren, hebben die situaties werkelijke gevolgen.
Nadruk op sociale interactie, bindingen en cultuur: betekenisgeving bepaalt handelen, en handelen bepaalt betekenis.
Betekenisgeving hangt af van regels, normen, (zelf)beeld en identiteit, niet zozeer van objectieve feiten.
De werkelijkheid wordt steeds opnieuw geconstrueerd, in een voortdurend proces.
Syllabus 2.5: de nadruk ligt op het begrijpen van de wijze waarop actoren samen de maatschappelijke werkelijkheid interpreteren, definiëren en vandaaruit construeren. Het Thomas-theorema: als mensen bepaalde situaties als werkelijk definiëren, hebben die situaties werkelijke gevolgen, onafhankelijk van de vraag of de situatie in eerste instantie werkelijk was. Betekenisgeving en handelen beïnvloeden elkaar voortdurend. Veelgemaakte fout: denken dat sociaalconstructivisme betekent dat alles maar verzonnen is. Het gaat erom dat de betekenis die mensen geven, werkelijke gevolgen heeft.
Kinderen met hun poppen op een weg in Finland, 1962
VORMING · PARADIGMA'S
Beelden en ongelijkheid
Ongelijkheid komt voort uit gezamenlijk gevormde beelden van groepen, zoals van mannen en vrouwen.
Die beelden zijn in de loop van de tijd in sociale interactie geconstrueerd.
Gedeelde betekenissen en symboliek geven ook een zekere sociale cohesie.
Hierbij horen theorieën over identiteitsvorming en persoonlijkheidsontwikkeling.
Syllabus 2.5: sociale ongelijkheid wordt gezien als gevolg van het beeld dat actoren zich gezamenlijk vormen van (de capaciteiten van) groepen. De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen berust volgens dit paradigma voornamelijk op beelden die in sociale interacties zijn geconstrueerd. Cohesie ontstaat door het gezamenlijke proces van betekenis construeren en het delen van symboliek. Foto uit 1962: kinderen met poppen. Vraag: welke beelden over jongens en meisjes worden hier doorgegeven, en wie bepaalt ze? Veelgemaakte fout: de beelden zien als 'gewoon waar'. Volgens het paradigma zijn ze geconstrueerd en dus veranderbaar. Image credit: Erkki Voutilainen / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Kinderen spelen in een zandbak op het schoolplein van de Toorop School, 1975
VORMING · PARADIGMA'S
Sociaalconstructivisme op socialisatie
Socialisatie is een ontwikkelingsproces: je construeert je eigen identiteit en sociale realiteit.
Dat gebeurt onder invloed van de sociale, politieke, economische en culturele omgeving.
Door ervaringen en betekenisconstructie bouw je een beeld van wie je bent.
Zo word je voorbereid op het leven in een complexe samenleving.
Syllabus 6: vanuit het sociaalconstructivisme gaat de aandacht vooral uit naar het persoonlijke ontwikkelingsproces waarbij individuen onder invloed van de sociale, politieke, economische en culturele omgeving hun eigen identiteit en hun eigen sociale realiteit construeren en daardoor in algemene zin maatschappelijk en politiek gesocialiseerd worden. In het proces van continue kennisoverdracht en betekenisconstructie doen mensen ervaringen op en bouwen ze een identiteit op die hun een beeld geeft van wie ze zijn. Foto uit 1975: kinderen geven al spelend samen betekenis aan hun omgeving. Veelgemaakte fout: de eigen inbreng overschatten. De omgeving blijft van invloed; het paradigma legt alleen de nadruk op de eigen constructie. Image credit: Joop Elsinga / Wikimedia Commons, CC0
Zet het Thomas-theorema in dit voorbeeld op volgorde
Syllabus 2.5: eerst de definitie van de situatie, dan het handelen daarnaar, dan de werkelijke gevolgen, ook al was het beeld in eerste instantie niet werkelijk. Verwachte fout: de derde en vierde stap omwisselen. Het voorbeeld is verzonnen.
Wat benadrukt het sociaalconstructivisme over identiteit?
Je krijgt die door de rol die de samenleving je geeft
Die volgt uit je plek in de machtsverhoudingen
Je construeert die zelf in interactie met je omgeving
Die ligt vast door objectieve feiten over je afkomst
Syllabus 6: individuen construeren hun eigen identiteit en sociale realiteit. Verwachte fout: de eerste afleider, die bij het functionalisme hoort, omdat daar identiteit een product van rolnormen is.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Het functionalisme
Het conflictparadigma
Het sociaalconstructivisme
De paradigma's uit elkaar houden
Begin les 2 bij de keuze met de meeste stemmen. Bij 'uit elkaar houden': laat leerlingen per paradigma het sleutelwoord noemen (orde, macht, betekenis).
Welk paradigma past het best bij jouw school?
Goed antwoord: een paradigma met een aanwijzing uit de eigen schoolervaring, bijvoorbeeld functionalisme omdat de school regels en rollen overdraagt, conflictparadigma omdat kansen ongelijk verdeeld zijn, of sociaalconstructivisme omdat leerlingen samen betekenis geven aan 'hoe het hier hoort'. Verwachte fout: een paradigma noemen zonder voorbeeld. Meerdere antwoorden zijn goed als het voorbeeld klopt.
VORMING · PARADIGMA'S
Begrippen (1/2)
paradigma: een theoretische traditie, waarin theorieën zijn gegroepeerd rond een eigen kijk op de samenleving
functionalisme: de samenleving als systeem van geordende onderdelen die elk een functie hebben, met nadruk op orde en sociale cohesie
sociale cohesie: de eenheid en stabiliteit die ontstaat doordat de onderdelen van de samenleving samenhangen en van elkaar afhankelijk zijn
rolverwachting: de normen en verwachtingen die bij iemands rol in de samenleving horen en die je internaliseert
conflictparadigma: tegenstellingen en conflicten over ongelijk verdeelde hulpbronnen zijn de motor van verandering
Deze slide heeft geen instructies
VORMING · PARADIGMA'S
Begrippen (2/2)
machtsverhoudingen: ongelijke verhoudingen tussen groepen door een ongelijke verdeling van kapitaal, die socialisatie leert herkennen
sociaalconstructivisme: actoren interpreteren en definiëren samen de sociale werkelijkheid en construeren die zo steeds opnieuw
betekenisgeving: het toekennen van betekenis aan de sociale werkelijkheid in sociale interactie, bijvoorbeeld via regels, normen en identiteit
Thomas-theorema: als mensen situaties als werkelijk definiëren, hebben die situaties werkelijke gevolgen
Deze slide heeft geen instructies