VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Ongelijkheid nationaal en internationaal
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Ongelijkheid nationaal en internationaal
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: C1 (9.1, 9.2). Image credit: Mark Hillary / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Wat ga je kunnen?
Ik kan sociale ongelijkheid binnen en tussen staten beschrijven en het gedrag van staten verklaren vanuit realistische, liberale, marxistische, sociaalconstructivistische en politiek psychologische theorieën.
Deze slide heeft geen instructies
Waaraan denk je bij ongelijkheid tussen mensen en tussen landen?
Verwachte woorden: arm en rijk, inkomen, onderwijs, discriminatie, macht, oorlog, NAVO, VN, ontwikkelingslanden. Ga later terug naar het woordweb: welke woorden gaan over ongelijkheid binnen een staat en welke over de verhouding tussen staten? Welke zijn hulpbronnen?
Sloppenwijk Dharavi met hoogbouw op de achtergrond, Mumbai, 2009
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Wat is sociale ongelijkheid?
Sociale ongelijkheid: verschillen tussen mensen hebben gevolgen voor hun maatschappelijke positie.
Gevolg: een ongelijke verdeling van schaarse, hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling.
In elke samenleving is ongelijkheid geïnstitutionaliseerd: kasten, standen, klassen en rangen.
Welke betekenis mensen aan verschillen geven is cultureel bepaald en verandert.
Syllabus 9.1: sociale ongelijkheid is een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet aangeboren kenmerken consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling. In iedere samenleving is sociale ongelijkheid in een of andere vorm geïnstitutionaliseerd: er zijn kasten, standen en/of klassen en rangen die verhoudingen in organisaties ordenen. De mate van waardering en de criteria zijn aan verandering onderhevig. De foto toont een sloppenwijk naast hoogbouw in Mumbai: vraag welke verschillen in positie je ziet en welke betekenis de samenleving daaraan geeft. Kernconcept verhouding. In domein C wordt sociale ongelijkheid vooral politicologisch ingevuld (tussen staten), in domein E sociologisch. Veelgemaakte fout: het verschil zelf (bijvoorbeeld geslacht of afkomst) ongelijkheid noemen. De ongelijkheid zit in de gevolgen en de betekenis die de samenleving eraan geeft. Image credit: Mark Hillary / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Luchtfoto van de sloppenwijk Kibera, Nairobi
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Vier soorten hulpbronnen
Economisch: geld, bezit, inkomen en vermogen; ook opleiding en beroepservaring.
Sociaal: je netwerk, de mensen die je kennen en kunnen helpen.
Symbolisch: status en aanzien, niet in een getal uit te drukken.
Politiek: macht en gezag, zoals fysieke (militaire) of juridische dwangmiddelen.
Syllabus 9.1: vier soorten sociale ongelijkheid, oftewel ongelijke verdeling van hulpbronnen: economische (geld, bezit, inkomen, vermogen; opleiding en beroepservaring tellen mee omdat je ermee kunt werken en geld verdienen), sociale (netwerk), symbolische (status en aanzien) en politieke (macht en gezag, middelen om gedrag af te dwingen). Verwijs naar de les Socialisatie en identiteit: daar staan economisch, sociaal en cultureel kapitaal; laat leerlingen zelf het verband leggen. De foto (Kibera, Nairobi) toont ongelijke verdeling van economische hulpbronnen op stadsniveau. Veelgemaakte fout: opleiding bij de sociale of symbolische hulpbronnen indelen. De syllabus rekent opleiding en beroepservaring tot de economische hulpbronnen. Image credit: Kreuzschnabel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Ontwikkelingen en gevolgen
In westerse democratieën nam sociale ongelijkheid de afgelopen decennia toe, na een periode van afname.
Onderzoek wijst voor Nederland steeds het opleidingsniveau aan als verklarende factor.
Ongelijkheid kan aanleiding geven tot conflicten: verzet, opstand en revolutie.
Ze kan ook leiden tot emancipatiebewegingen.
Ook tussen staten bestaat ongelijkheid, vooral in macht: dat bekijken we in de volgende blokken.
Syllabus 9.1: sociale ongelijkheid vertoont in westerse democratische samenlevingen de afgelopen decennia een tendens van toename, na een periode van vermindering op verschillende gebieden. Het opleidingsniveau komt in sociaalwetenschappelijk onderzoek steeds naar voren als verklarende factor voor de verschillende soorten ongelijkheid in Nederland. Sociale ongelijkheid kan aanleiding geven tot verzet, opstand, revolutie en emancipatiebewegingen (Schnabel 2007). Geef geen getallen: de syllabus noemt geen cijfers. Veelgemaakte fout: denken dat de ongelijkheid de afgelopen eeuw alleen is afgenomen. De syllabus beschrijft eerst afname en daarna weer toename.
Een bedrijf neemt vooral mensen aan die een medewerker kennen. Welke hulpbron helpt hier?
Een economische hulpbron
Een sociale hulpbron
Een symbolische hulpbron
Een politieke hulpbron
Syllabus 9.1: het netwerk is een sociale hulpbron. Verwachte fout: symbolische hulpbron, omdat 'kennen' met aanzien te maken zou hebben. Het gaat om de personen die je kent en die kunnen helpen.
Vul in
Opleiding en beroepservaring horen bij de economische hulpbronnen, status en aanzien bij de symbolische hulpbronnen.
Syllabus 9.1. Verwachte fout: opleiding bij de symbolische hulpbronnen plaatsen vanwege het aanzien van een diploma. De syllabus rekent opleiding tot de economische hulpbronnen omdat je ermee kunt werken en geld verdienen.
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Functionalisme en ongelijkheid
Onderdelen van de samenleving dragen verschillend bij aan haar voortbestaan en worden verschillend beloond.
Zo ontstaat sociale ongelijkheid: het prestige van een beroep hangt samen met de functie ervan.
Ongelijkheid is daarom niet per se onrechtvaardig en tot op zekere hoogte zelfs noodzakelijk.
Gemeenschappelijke normen en waarden werken als stabilisatoren; na verandering ontstaat een nieuw evenwicht.
Syllabus domein A (paradigma's), toegepast op 9.1: volgens het functionalisme verschillen de onderdelen van een samenleving in hun bijdrage aan voortbestaan en functioneren; die bijdragen worden verschillend beloond en gewaardeerd, zo ontstaat ongelijkheid. Prestige hangt samen met de functie van het beroep voor het voortbestaan. Ongelijkheid is niet per se onrechtvaardig, tot op zekere hoogte noodzakelijk. Hoofdconcepten: verhouding en binding (sociale cohesie door gemeenschappelijke normen). Veelgemaakte fout: functionalisme gelijkstellen aan het goedkeuren van elke ongelijkheid. Het paradigma beschrijft en verklaart de functie van ongelijkheid; het is geen politiek standpunt.
Het Karl-Marx-monument in Chemnitz
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Conflictparadigma en ongelijkheid
Ongelijkheid berust op machtsverschillen door een ongelijke verdeling van hulpbronnen.
Ongelijkheid leidt tot tegenstellingen, conflicten of strijd: de motor van verandering.
Strijd kan ongelijkheid doen verdwijnen door herverdeling, maar later ontstaan nieuwe vormen.
Hier horen (neo)marxistische theorieën en emancipatietheorieën bij.
Syllabus domein A en 9.1: het conflictparadigma legt de nadruk op ongelijkheid en conflict. Aannames: ongelijkheden zijn het gevolg van machtsverschillen; ze leiden tot tegenstellingen, conflicten of strijd; strijd kan resulteren in verdwijnen van ongelijkheid door afschaffing van oude machtsmiddelen of herverdeling van hulpbronnen; na verloop van tijd ontstaan nieuwe ongelijkheden. Sociale cohesie ontstaat binnen groeperingen met dezelfde belangen. Binnen deze traditie horen (neo)marxistische theorieën, theorieën over emancipatie en afhankelijkheidstheorieën. De foto toont het Karl-Marx-monument in Chemnitz. Veelgemaakte fout: denken dat het conflictparadigma stelt dat gelijkheid na strijd blijvend is. De syllabus zegt dat zich nieuwe vormen van ongelijkheid voordoen. Image credit: Velvet / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Sociaalconstructivisme en ongelijkheid
Ongelijkheid is een gevolg van het beeld dat actoren gezamenlijk vormen van de capaciteiten van groepen.
Voorbeeld: ongelijkheid tussen mannen en vrouwen berust vooral op beelden uit sociale interactie.
Als mensen een situatie als werkelijk definiëren, heeft die werkelijke gevolgen.
De werkelijkheid wordt steeds opnieuw geconstrueerd: verandert de betekenis, dan verandert de ongelijkheid.
Onderzoek daarom hoe beelden en betekenissen tot stand komen, en niet zozeer objectieve feiten.
Syllabus domein A en 9.1: in het sociaalconstructivisme wordt sociale ongelijkheid beschouwd als gevolg van het beeld dat actoren zich gezamenlijk vormen van (de capaciteiten van) verschillende actoren en groepen. Het genoemde voorbeeld is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. De interpretatie van een situatie veroorzaakt gevolgen, onafhankelijk van de vraag of de situatie eerst werkelijk was (Thomas-theorema). Betekenisgeving hangt af van regels, opvattingen, (zelf)beeld, normen en waarden en niet zozeer van objectieve feiten. Veelgemaakte fout: zeggen dat sociaalconstructivisten ontkennen dat verschillen bestaan. Zij stellen dat de betekenis en gevolgen van verschillen door mensen worden gemaakt.
Loonverschil man-vrouw verklaard uit gevormde beelden in interactie. Welk paradigma?
Sociaalconstructivisme
Functionalisme
Conflictparadigma
Liberale theorieën
Syllabus 9.1: het voorbeeld van mannen en vrouwen hoort bij het sociaalconstructivisme: ongelijkheid berust op beelden die in sociale interactie zijn geconstrueerd. Verwachte fout: conflictparadigma, omdat het om ongelijkheid gaat; maar het gaat om beelden en betekenissen, niet om machtsmiddelen.
Noem één aanname van het conflictparadigma.
Goed antwoord: ongelijkheid is het gevolg van machtsverschillen; ongelijkheid leidt tot conflict of strijd; strijd kan ongelijkheid doen verdwijnen; daarna ontstaan nieuwe vormen van ongelijkheid. Verwachte fout: de aanname van het functionalisme noemen, namelijk dat ongelijkheid nodig is voor het functioneren.
De Berlijnse Muur bij de Brandenburger Tor, 1989
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Staten in een veranderende wereld
Door globalisering en schaalvergroting van de economie hangen staten steeds meer van elkaar af.
Tegelijk groeit de samenwerking tussen staten.
Grote landen of machtsblokken willen hun invloed in regio's vergroten met militaire en economische macht.
Gevolg: een geopolitieke machtsstrijd met botsende belangen, niet alleen economische.
Syllabus 9.1: op mondiaal niveau zijn verhoudingen tussen staten aan verandering onderhevig door groeiende wederzijdse afhankelijkheid, schaalvergroting en globalisering van de economie en groeiende samenwerking. Grote landen of machtsblokken willen met een combinatie van militaire en economische macht hun invloed in regio's maximaliseren. Gevolg is een geopolitieke machtsstrijd waarin economische, demografische en historisch-politieke aspecten, oppervlakte, politieke organisatie en cultuur een rol spelen. De foto toont de Berlijnse Muur in 1989 en staat voor de Koude Oorlog, waarin twee machtsblokken (NAVO en Warschaupact) tegenover elkaar stonden: laat leerlingen zelf andere voorbeelden van machtsblokken noemen (bijvoorbeeld NAVO of EU, genoemd in 10.1). Veelgemaakte fout: geopolitieke machtsstrijd reduceren tot militaire macht. De syllabus noemt ook economische, demografische en culturele factoren. Image credit: Armin Kübelbeck / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Regeringsleiders op de NAVO-top in Madrid, 2022
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Realistische theorieën: macht en anarchie
Realistische theorieën (realisme): staten voeren een machtsstrijd van allen tegen allen.
Elke staat behartigt het eigen belang en kan dat het best door machtiger te worden dan andere staten.
Het statensysteem kent anarchie: geen supranationale organisatie die normen oplegt en controleert.
Een staat mag nooit vertrouwen op internationale organisaties en recht; het veiligheidsdilemma is onoplosbaar.
Syllabus 9.2.1: realistische theorieën beschrijven internationale verhoudingen als een machtsstrijd van allen tegen allen. Iedere staat behartigt de eigenbelangen, het best door machtiger te worden dan andere staten. Een staat moet voor zijn zelfbescherming nooit vertrouwen op internationale organisaties en internationaal recht. Het veiligheidsdilemma (zie 11.4, wordt elders behandeld) is onoplosbaar; het statensysteem kent anarchie omdat er geen supranationale organisatie is die van bovenaf normen oplegt en naleving controleert. Anarchie betekent hier dus niet chaos of geweld, maar het ontbreken van een hogere gezagsdrager. De foto toont de NAVO-top van 2022: een alliantie, waarvan realisten zeggen dat staten die vormen als het nationale belang dat vraagt. Veelgemaakte fout: anarchie opvatten als voortdurende oorlog. Het is de structuur zonder bovenstatelijk gezag. Image credit: U.S. Mission to NATO / Wikimedia Commons, publiek domein
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Realisme: hegemonie en machtsevenwicht
Oorlog is (tijdelijk) te voorkomen door hegemonie: een machtsoverwicht van één staat.
Of door een machtsevenwicht: een situatie waarin geen enkele staat dominant is.
Staten versterken daartoe hun eigen macht, voeren diplomatieke onderhandelingen en vormen allianties.
Samenwerking wordt alleen gezocht als het nationale belang dat vraagt; conflictdreiging is de standaardsituatie.
Het belangrijkste machtsmiddel is inzetbare militaire macht, ook om economische belangen veilig te stellen.
Syllabus 9.2.1 en 10.1: de enige optie om oorlog (tijdelijk) te voorkomen is een machtsoverwicht (hegemonie) van één staat of een machtsevenwicht, een situatie waarin geen enkele staat dominant is. Staten versterken hun macht, voeren diplomatieke onderhandelingen en vormen allianties. Samenwerking wordt alleen gezocht en versterkt als het nationale belang dat vraagt. Conflictdreiging is de standaardsituatie; het belangrijkste machtsmiddel is inzetbare militaire macht. Met oorlog of tijdens een machtsvacuüm kan meer macht en veiligheid worden verworven, maar ook economische belangen (energie, grondstoffen, afzetmarkten) kunnen zo veilig worden gesteld. Veelgemaakte fout: hegemonie en machtsevenwicht verwisselen. Bij hegemonie domineert één staat, bij een machtsevenwicht niemand.
Eén staat is zo machtig dat andere staten zich moeten schikken. Welke situatie is dit?
Machtsevenwicht
Een machtsvacuüm
Hegemonie
Wederzijdse afhankelijkheid
Syllabus 9.2.1: hegemonie is een machtsoverwicht van één staat. Verwachte fout: machtsevenwicht, omdat leerlingen denken dat een sterke staat 'evenwicht' brengt; bij een machtsevenwicht is juist geen enkele staat dominant.
Vul in
Realisten verwachten dat staten hun macht versterken, onderhandelen en allianties vormen; hun belangrijkste machtsmiddel is militaire macht.
Syllabus 9.2.1. Verwachte fout: economische macht als belangrijkste machtsmiddel kiezen. De syllabus noemt de inzetbare militaire macht het belangrijkste machtsmiddel, al kan oorlog ook economische belangen dienen.
De VN-Veiligheidsraad in vergadering, New York, 2018
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Liberale theorieën: samenwerking
Liberale theorieën: oorlog tussen staten is geen natuurlijk gegeven, anders dan realisten stellen.
Een 'nationaal belang' bestaat niet: het is de uitkomst van besluitvorming waarin één actor domineert.
Samenwerking is wenselijk als zij vooruitgang, vrede en welvaart brengt; ook economie en milieu tellen.
Staten zijn niet de enige actoren; bindingen leiden tot wederzijdse afhankelijkheid.
Syllabus 9.2.3: liberale theorieën verwerpen de notie van de realisten dat oorlog een natuurlijk gegeven is. Wat als nationaal belang wordt gepresenteerd is het resultaat van interne besluitvorming waarin één actor domineert. Internationale samenwerking is wenselijk als zij bijdraagt aan vooruitgang, vrede en welvaart. Militaire macht is niet het enige: ook economische, technologische en milieuaspecten tellen. Soevereiniteit is in de praktijk minder belangrijk dan realisten doen voorkomen. De staat is belangrijk maar niet de enige actor: ngo's, bedrijven en supra- en internationale organisaties zorgen voor bindingen die de handelingsruimte van staten inperken. Verhoudingen kenmerken zich door wederzijdse afhankelijkheid; samenwerking is vaak de uitkomst. De foto toont de VN-Veiligheidsraad. Veelgemaakte fout: denken dat liberalen de rol van de staat ontkennen. De staat blijft een belangrijke actor. Image credit: U.S. Department of State / Wikimedia Commons, publiek domein
Containerterminal op de Maasvlakte, Rotterdam
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Marxistische theorieën: kapitaal
Marxistische theorieën: kijk naar de kapitalistische productiewijze onder de verhoudingen tussen staten.
Daarin hebben bezitters van productiemiddelen macht over niet-bezitters.
Kapitaal moet groeien (kapitaalaccumulatie) en trekt zich niets aan van staatsgrenzen.
Staten maken zich aantrekkelijk voor bedrijven en worden tegen elkaar uitgespeeld: zo begrijp je rijk en arm.
Syllabus 9.2.2: internationale verhoudingen zijn alleen te begrijpen met de diepere, onderliggende structuur van de kapitalistische productiewijze, gekenmerkt door machtsongelijkheid tussen bezitters van productiemiddelen en niet-bezitters. Kapitaal moet groeien en laat zich niet weerhouden door staatsgrenzen. Staten hebben belang bij bedrijven binnen hun grenzen (werkgelegenheid, belastingopbrengsten, kennisgroei) en een goed draaiende economie is een machtsfactor. Kapitaalbezitters zetten kapitaal in waar de kapitaalaccumulatie het beste verloopt; staten proberen zich aantrekkelijk te maken en worden zo tegen elkaar uitgespeeld. Zo kan de verhouding van rijke tot arme landen worden begrepen. Past bij het conflictparadigma. De foto toont een containerterminal als schakel in wereldwijde kapitaalstromen. Veelgemaakte fout: marxistische theorieën zien als een theorie over één land. Het gaat om een structuur die over staten heen werkt. Image credit: Spielvogel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Constructivisme en politieke psychologie
Sociaalconstructivistische theorieën: de sociale wereld bestaat in de ideeën en betekenissen van mensen, niet los van hen.
Ook macht is sociaal geconstrueerd: machtsverhoudingen veranderen als de betekenis ervan in de hoofden verandert.
Onderzoek dus hoe opvattingen over macht ontstaan, bijvoorbeeld hoe normen over legitiem handelen zich verspreiden.
Politiek psychologische theorieën: verhoudingen tussen staten hangen samen met de psyche van staatshoofden, ministers en diplomaten.
Hun karakter, kennis, attitudes en misvattingen zijn in grote mate bepalend voor internationale machtsverhoudingen.
Syllabus 9.2.4: de sociale wereld bestaat in de ideeën, gedachten en betekenissen van mensen. Elk begrip, ook macht, is sociaal geconstrueerd; machtsverhoudingen veranderen als de betekenis in de hoofden verandert. Onderzoek hoe opvattingen tot stand komen en welke informatie meespeelt, bijvoorbeeld hoe staten hun economie volgens dezelfde ideeën inrichtten en hoe normen werden geïnternationaliseerd en geïnstitutionaliseerd. Syllabus 9.2.5: contacten tussen staten verlopen via mensen die individueel of in groepen vormgeven aan de verhoudingen; hun karakter, capaciteiten, attitudes, kennis en misvattingen zijn in grote mate bepalend. Veelgemaakte fout: constructivisme en politieke psychologie door elkaar halen. Het eerste gaat over gedeelde betekenissen en normen, het tweede over eigenschappen van de betrokken personen.
Staten verlagen belastingen om een multinational binnen te halen. Welk begrip past bij de marxistische theorieën?
Hegemonie
Kapitaalaccumulatie
Wederzijdse afhankelijkheid
Anarchie
Syllabus 9.2.2: kapitaalbezitters kiezen de plek waar de accumulatie het beste verloopt, staten maken zich aantrekkelijk en worden zo tegen elkaar uitgespeeld. Verwachte fout: wederzijdse afhankelijkheid, omdat bedrijf en staat elkaar nodig hebben; dat is een liberaal begrip voor de bindingen tussen actoren.
Zet de marxistische redenering op volgorde
Syllabus 9.2.2. Verwachte fout: de laatste twee verwisselen. Staten maken zich eerst aantrekkelijk; daardoor worden ze tegen elkaar uitgespeeld.
Wat vond je vandaag het lastigst?
De vier soorten hulpbronnen
Paradigma's en ongelijkheid
Realisme en liberalisme
Marxisme en constructivisme
Begin les 2 bij het onderdeel met de meeste stemmen.
Kies een theorie en geef een voorbeeld uit het nieuws.
Goed antwoord: een theorie (realistisch, liberaal, marxistisch, sociaalconstructivistisch of politiek psychologisch) met een actuele gebeurtenis en een verklaring volgens die theorie, bijvoorbeeld een bondgenootschap (realisme) of samenwerking in de VN (liberaal). Geen oordeel over het voorbeeld zelf: het gaat om de redenering. Verwachte fout: alleen een gebeurtenis noemen zonder de theorie te gebruiken.
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Begrippen (1/2)
sociale ongelijkheid: verschillen die leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse, hooggewaardeerde zaken, waardering en behandeling
hulpbronnen: economisch, sociaal, symbolisch en politiek: waar mensen ongelijk over beschikken
realistische theorieën: internationale verhoudingen als machtsstrijd van allen tegen allen, met het eigenbelang van de staat voorop
anarchie: het statensysteem kent geen supranationale organisatie die normen oplegt en naleving controleert
hegemonie: machtsoverwicht van één staat
Deze slide heeft geen instructies
VERHOUDING · ONGELIJKHEID
Begrippen (2/2)
machtsevenwicht: een situatie waarin geen enkele staat dominant is
liberale theorieën: samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid, met meer actoren dan alleen staten
marxistische theorieën: internationale verhoudingen begrijpen vanuit de kapitalistische productiewijze en kapitaalaccumulatie
sociaalconstructivistische theorieën: macht en verhoudingen bestaan in de betekenissen die mensen eraan geven
politiek psychologische theorieën: verhoudingen tussen staten hangen samen met de psyche van de personen die staten vertegenwoordigen
Deze slide heeft geen instructies