Paradigma's op socialisatie (Maatschappijwetenschappen vwo), les 2: Examentraining

VORMING · PARADIGMA'S

Examentraining

Paradigma's op socialisatie: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining op vwo-niveau: een paradigma herkennen in een visie, redeneren vanuit een paradigma, een hypothese formuleren en paradigma's vergelijken, met stappen en tips.

Onderdelen in deze les

VORMING · PARADIGMA'S

Examentraining

Paradigma's op socialisatie: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Rob Mieremet / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

VORMING · PARADIGMA'S

Wat ga je kunnen?

Ik kan een paradigma herkennen en toepassen op een casus, daaruit redeneren, een hypothese formuleren en paradigma's vergelijken.

Deze slide heeft geen instructies

VORMING · PARADIGMA'S

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat vraagt de vraag: herkennen, verklaren, hypothese formuleren of vergelijken?

  • 2. Zoek: welk kernwoord zit in de casus? Orde en rollen, macht en ongelijkheid, of betekenis en eigen beeld.

  • 3. Redeneer: welke aannames horen bij dat paradigma en wat volgt daaruit voor de casus?

  • 4. Schrijf: paradigma, aanwijzing uit de casus, redenering. Alleen de naam noemen is te weinig.

Deze slide heeft geen instructies

VORMING · PARADIGMA'S

Vraagtype 1: een paradigma herkennen

  • Je krijgt een uitspraak of visie en bepaalt vanuit welk paradigma die is geformuleerd.

  • Zoek het kernwoord: orde en rollen, macht en ongelijkheid, of betekenis en interpretatie.

  • Let op de reden: een goed antwoord noemt het paradigma én de aanwijzing.

Deze slide heeft geen instructies

Beleidsstuk: 'School draagt gedeelde normen over en houdt het land in balans.' Welk paradigma?

A

Conflictparadigma: school verdeelt macht ongelijk

B

Functionalisme: nadruk op orde en sociale cohesie

C

Sociaalconstructivisme: kinderen geven zelf betekenis

D

Functionalisme: nadruk op strijd tussen groepen

Syllabus 2.5 en 6: gedeelde normen en waarden als stabilisator, socialisatie als middel om cultuur over te dragen. Verwachte fout: de laatste optie; die noemt het goede paradigma met een verkeerde reden. Lees daarom ook de reden.

'Elk kind bouwt in omgang met anderen een eigen beeld van de wereld.' Welk paradigma?

A

Functionalisme: kinderen nemen de passende rol over

B

Conflictparadigma: kinderen leren machtsverhoudingen

C

Sociaalconstructivisme: betekenis uit interactie

D

Sociaalconstructivisme: beelden zijn objectieve feiten

Syllabus 6: individuen construeren hun eigen identiteit en sociale realiteit in interactie. Verwachte fout: de eerste optie, omdat 'leren van anderen' ook bij socialisatie in het functionalisme past. Het kernwoord is hier 'eigen beeld'.

Dolle Mina's in de redactie van het damesblad Margriet, 1970

VORMING · PARADIGMA'S

Vraagtype 2: redeneren vanuit een paradigma

  • Je krijgt een verschijnsel en moet het verklaren vanuit één opgegeven paradigma.

  • Werk met de aannames: wat is voor dit paradigma de oorzaak, en wat is het gevolg?

  • Blijf in het paradigma: een verklaring uit een ander paradigma telt niet.

Image credit: Bert Verhoeff / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Hoe verklaart het sociaalconstructivisme dat meisjes minder vaak techniek kiezen?

A

Gedeelde beelden over wat bij meisjes past sturen keuzes

B

Elke rol heeft een functie voor het systeem

C

Meisjes hebben van nature minder aanleg

D

De samenleving heeft minder technici nodig

Goed: het sociaalconstructivisme verklaart gedrag uit betekenissen die mensen in interactie vormen; beelden over wat bij meisjes past worden zo werkelijk in hun keuzes. Functionalisme kijkt naar de functie voor het systeem.

Functionalisme: waarom leert school normen?

Goed antwoord: volgens het functionalisme is socialisatie het middel om de cultuur over te dragen en te laten voortbestaan; school draagt normen en waarden over en integreert de persoonlijkheid, zodat orde en sociale cohesie behouden blijven. Verwachte fout: antwoorden dat school de machtigen helpt; dat is het conflictparadigma. Syllabus 6.

VORMING · PARADIGMA'S

Vraagtype 3: een hypothese formuleren

  • Hypothese: een toetsbare verwachting over een verband tussen twee dingen, vaak als 'hoe meer, hoe meer'.

  • Kies een paradigma, pak een concept (rolverwachting, kapitaal, betekenisgeving) en voorspel het verband.

  • Een goede hypothese noemt beide kanten en de richting, en is te toetsen in onderzoek.

Deze slide heeft geen instructies

Welke hypothese past bij het conflictparadigma over socialisatie?

A

Wie rolverwachtingen internaliseert, gedraagt zich conform

B

Meer cultureel kapitaal thuis geeft een hogere opleiding

C

Wie een situatie als werkelijk ziet, maakt haar werkelijk

D

Jongeren zitten steeds meer uren op hun telefoon

Syllabus 10: hypothesen formuleren vanuit een paradigma. Goed is de hypothese die kapitaal en ongelijke posities verbindt. De tweede is functionalistisch, de derde sociaalconstructivistisch (Thomas-theorema), de vierde is een vaststelling zonder verband. Verwachte fout: de tweede kiezen omdat ook die over socialisatie gaat.

Geef een hypothese vanuit het functionalisme.

Goed antwoord: een verband met rolverwachtingen en orde of cohesie, bijvoorbeeld 'Hoe sterker mensen rolverwachtingen internaliseren, hoe groter de sociale cohesie.' Verwachte fout: een stelling zonder verband ('rollen zijn belangrijk') of een hypothese over macht of betekenis. Syllabus 10.

Dolle Mina's op de Dam, Amsterdam, 1970

VORMING · PARADIGMA'S

Vraagtype 4: paradigma's vergelijken

  • Je vergelijkt paradigma's op nadruk, verklaring van ongelijkheid en kijk op socialisatie.

  • Functionalisme: orde. Conflictparadigma: ongelijkheid en strijd. Sociaalconstructivisme: betekenis en interactie.

  • De paradigma's vullen elkaar vaak aan: modern onderzoek combineert inzichten.

Image credit: Rob Mieremet / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Waarin verschillen conflictparadigma en sociaalconstructivisme over ongelijkheid?

A

Eerste ziet ongelijkheid als noodzakelijk, tweede niet

B

Eerste ontkent ongelijkheid, tweede erkent haar

C

Eerste benadrukt orde, tweede strijd

D

Machtsverschillen tegenover gezamenlijk gevormde beelden

Syllabus 2.5: conflictparadigma verklaart ongelijkheid uit machtsverschillen door ongelijke verdeling van hulpbronnen; sociaalconstructivisme uit de beelden die actoren zich gezamenlijk vormen. Verwachte fout: de eerste afleider; die hoort bij het functionalisme.

Onderzoeker Lisa verklaart schoolkeuze uit rolverwachtingen én kapitaal. Wat klopt?

A

Ze combineert twee paradigma's, die elkaar aanvullen

B

Dat kan niet, paradigma's sluiten elkaar altijd uit

C

Ze gebruikt alleen het functionalisme

D

Ze gebruikt alleen het conflictparadigma

Syllabus 2.5: de tradities staan niet per se haaks op elkaar en vullen elkaar vaak aan; modern onderzoek combineert inzichten. Rolverwachting hoort bij het functionalisme, kapitaal bij het conflictparadigma. Verwachte fout: de eerste afleider, uit de gedachte dat je moet kiezen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een paradigma herkennen

2

Redeneren vanuit een paradigma

3

Een hypothese formuleren

4

Paradigma's vergelijken

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.

VORMING · PARADIGMA'S

Tips voor op het examen

  • Zoek eerst het kernwoord in de casus: orde en rollen, macht en ongelijkheid, of betekenis en eigen beeld.

  • Noem altijd het paradigma én de aanwijzing uit de casus waaraan je het herkent.

  • Blijf in het gevraagde paradigma: redeneer met zijn aannames, niet met die van een ander.

  • Een hypothese heeft twee kanten en een richting: 'hoe meer ..., hoe meer ...'.

Deze slide heeft geen instructies