To be, vragen maken en meervoud
To be, vragen maken en meervoud
Deze slide heeft geen instructies
Lesdoel
I can use to be in normal sentences, in denying sentences and questions.
I know how to make plural
Deze slide heeft geen instructies
Herhaling van het werkwoord to be
I am
You are
You are
He is
She is
It is
We are
You are
They are
Ik ben
Jij bent
U bent
Hij is
Zij is
Het is
Wij zijn
Jullie zijn
Zij zijn
Ik ben niet
Jij bent niet
U bent niet
Hij is niet
Zij is niet
Het is niet
Wij zijn niet
Jullie zijn niet
Zij zijn niet
I am not
You are not
You are not
He is not
She is not
It is not
We are not
You are not
They are not
Benadruk dat leerlingen 'to be' vaak als 'zijn' leren, maar dat het in het Engels ook in zinnen staat waar het Nederlands geen letterlijk 'zijn' gebruikt.
To be in korte vormen
I’m
you’re
he’s / she’s / it’s
we’re
they’re
Deze korte vormen zie je vaak in gewone Engelse zinnen.
Wijs erop dat 'he's' zowel 'he is' kan betekenen. Houd het hier bij herkennen en gebruiken in makkelijke zinnen.
Korte ontkenningen
I’m not
you aren’t
he isn’t
she isn’t
it isn’t
we aren’t
they aren’t
Het werkwoord en NOT aan elkaar. Op de plek van O een '
Noem eventueel ook 'you’re not' en 'he’s not', maar focus op één duidelijke set zodat het overzichtelijk blijft.
Wanneer gebruik je to be?
Je gebruikt to be vaak bij:
naam of identiteit
leeftijd
gevoelens
plaats
beschrijving
Voorbeeld: She is 12. / The bus is late.
Leeftijd is een belangrijk verschil met het Nederlands: Engels gebruikt 'to be' in 'I am 13'.
Waar komt not in een ontkennende zin?
na am/is/are (het werkwoord)
helemaal vooraan
na het onderwerp
helemaal achteraan
De kernregel van deze subtopic: not komt na am, is of are.
Vragen met to be
Bij een vraag zet je am / is / are vooraan.
Am I ...?
Are you ...?
Is he / she / it ...?
Are we / they ...?
Gebruik het woord 'omdraaien' alleen als steun: in een vraag komt het werkwoord voor het onderwerp.
Voorbeelden van vragen
Are you 13?
Is she your friend?
Are they at school?
Am I late?
Is it Monday?
Deze slide heeft geen instructies
Korte antwoorden
Are you ready? — Yes, I am. / No, I’m not.
Is he at home? — Yes, he is. / No, he isn’t.
Are they early? — Yes, they are. / No, they aren’t.
Benadruk dat Engelse korte antwoorden wél het werkwoord herhalen: niet alleen 'yes' of 'no'.
Zin en vraag
Vergelijk:
You are in class 1B. → Are you in class 1B?
She is at school. → Is she at school?
They are happy. → Are they happy?
Deze slide maakt het patroon zichtbaar: zelfde woorden, andere volgorde.
Welke vraag is goed?
You are 13?
Are you 13?
Is you 13?
Am you 13?
Test of leerlingen het patroon kennen: in een vraag komt am/is/are vooraan.
Vul de vraag en het korte antwoord in
she your friend? Yes, she is. Are they early? No, they aren’t.
Correcte invulling: Is, is, Are. Let op het herhalen van het werkwoord in het korte antwoord.
De dagen van de week
Monday
Tuesday
Wednesday
Thursday
Friday
Saturday
Sunday
We schrijven de dagen van de week altijd met een hoofdletter
Wijs erop dat dagen in het Engels met een hoofdletter beginnen.
Dagen gebruiken in een zin
Monday is the first school day.
We have English on Tuesday.
Saturday and Sunday are the weekend.
Today is Friday.
Houd de voorbeelden herkenbaar voor school en weekritme.
De maanden van het jaar
January, February, March
April, May, June
July, August, September
October, November, December
We schrijven de maanden van het jaar altijd met een hoofdletter
Ook maanden krijgen in het Engels een hoofdletter.
Maanden gebruiken in een zin
My birthday is in May.
School starts in August.
December is a winter month.
January comes after December.
Deze slide heeft geen instructies
Welke dag komt na Tuesday?
Monday
Wednesday
Thursday
Friday
Eenvoudige controle of de volgorde van de dagen bekend is.
Vul dagen en maanden in
Today is Thursday. My birthday is in May. January comes after December.
Before April comes March. Yesterday it was Wednesday. The days of the weekend are Saturday and Sunday. The first day after the weekend is Monday.
Woorden en voorbeeldzinnen komen direct uit de contentslides over dagen en maanden.
Vervoersmiddelen
a bike
a bus
a car
a train
a tram
a plane
a boat
Gebruik bekende woorden eerst. Je kunt eventueel het verschil benoemen tussen 'bike' en 'bicycle', maar houd 'bike' als basiswoord.
Meer vervoerswoorden
a scooter
a taxi
a van
a truck
the underground
a ship
Kies bij bespreking eventueel welke woorden in het boek staan; de slide biedt een compacte set om te herhalen.
Meervoud in het Engels
Vaak maak je het meervoud met -s.
one bus → two buses
one car → two cars
one bike → two bikes
one train → two trains
Noem hier rustig dat sommige woorden alleen -s krijgen en dat 'bus' een extra -es krijgt. Niet uitdiepen met veel uitzonderingen.
Enkelvoud en meervoud
Let op het verschil:
a bus / buses
a tram / trams
a plane / planes
a boat / boats
Verbind dit eventueel aan 'there is' en 'there are' alleen mondeling als verrijking, maar houd de slide bij woordenschat en meervoud.
Vervoer in zinnen
The bus is late.
My bike is new.
The cars are in the street.
Two trains are at the station.
The planes are big.
Deze slide koppelt de vervoerswoorden terug aan 'to be' in enkelvoud en meervoud.
Wat is het meervoud van bus?
buss
buses
busses
busies
Sluit aan bij de slide waarin bus een extra -es krijgt.
Vul vervoerswoorden en meervoud in
The bus is late. Two trains are at the station. The planes are big.
Klaar? Zet de laptop even aan de kant en pak je boek. Maak opdr 2, 3, 6 en 7 op blz 88 en 89
Combineert woordenschat vervoer met enkelvoud en meervoud, precies zoals op de laatste slides van dit blok.
Wat heb jij vandaag geleerd?
Mogelijke antwoorden gaan over inhoud, bijvoorbeeld: to be, not, vragen, dagen, maanden, vervoer, meervoud. Bespreek kort wat leerlingen meenemen uit de les.
Wat vond je het moeilijkst?
Laat leerlingen benoemen wat moeilijk was, zoals am/is/are kiezen, ontkennende zinnen, vragen maken, dagen of maanden onthouden, of meervoud van bus.
Wat wil je nog een keer oefenen?
Stimuleer korte, concrete antwoorden over leerstrategie of inhoud, zoals herhalen, voorbeelden, woordlijst, of een specifiek woord/zinspatroon.
Woordenlijst
to be - het werkwoord zijn
negative - ontkennend
question - vraag
Monday - maandag
January - januari
bike - fiets
bus - bus
Deze slide heeft geen instructies
Woordenlijst
car - auto
train - trein
tram - tram
plane - vliegtuig
boat - boot
plural - meervoud
month - maand
Tijd over: Uitleg These, this, that, those
Deze slide heeft geen instructies