Engels: Herhaling to be, vragen maken en meervoud

To be, vragen maken en meervoud

1 / 31
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEngelsISK

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

To be, vragen maken en meervoud

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel

I can use to be in normal sentences, in denying sentences and questions.

I know how to make plural

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling van het werkwoord to be

I am

You are

You are

He is

She is

It is

We are

You are

They are

  • Ik ben

  • Jij bent

  • U bent

  • Hij is

  • Zij is

  • Het is

  • Wij zijn

  • Jullie zijn

  • Zij zijn

  • Ik ben niet

  • Jij bent niet

  • U bent niet

  • Hij is niet

  • Zij is niet

  • Het is niet

  • Wij zijn niet

  • Jullie zijn niet

  • Zij zijn niet

I am not

You are not

You are not

He is not

She is not

It is not

We are not

You are not

They are not

Benadruk dat leerlingen 'to be' vaak als 'zijn' leren, maar dat het in het Engels ook in zinnen staat waar het Nederlands geen letterlijk 'zijn' gebruikt.

To be in korte vormen

  • I’m

  • you’re

  • he’s / she’s / it’s

  • we’re

  • they’re


Deze korte vormen zie je vaak in gewone Engelse zinnen.

Wijs erop dat 'he's' zowel 'he is' kan betekenen. Houd het hier bij herkennen en gebruiken in makkelijke zinnen.

Korte ontkenningen

  • I’m not

  • you aren’t

  • he isn’t

  • she isn’t

  • it isn’t

  • we aren’t

  • they aren’t


Het werkwoord en NOT aan elkaar. Op de plek van O een '

Noem eventueel ook 'you’re not' en 'he’s not', maar focus op één duidelijke set zodat het overzichtelijk blijft.

Wanneer gebruik je to be?

Je gebruikt to be vaak bij:


  • naam of identiteit

  • leeftijd

  • gevoelens

  • plaats

  • beschrijving


Voorbeeld: She is 12. / The bus is late.

Leeftijd is een belangrijk verschil met het Nederlands: Engels gebruikt 'to be' in 'I am 13'.

Waar komt not in een ontkennende zin?

A

na am/is/are (het werkwoord)

B

helemaal vooraan

C

na het onderwerp

D

helemaal achteraan

De kernregel van deze subtopic: not komt na am, is of are.

Vragen met to be

Bij een vraag zet je am / is / are vooraan.


  • Am I ...?

  • Are you ...?

  • Is he / she / it ...?

  • Are we / they ...?

Gebruik het woord 'omdraaien' alleen als steun: in een vraag komt het werkwoord voor het onderwerp.

Voorbeelden van vragen

  • Are you 13?

  • Is she your friend?

  • Are they at school?

  • Am I late?

  • Is it Monday?

Deze slide heeft geen instructies

Korte antwoorden

  • Are you ready? — Yes, I am. / No, I’m not.

  • Is he at home? — Yes, he is. / No, he isn’t.

  • Are they early? — Yes, they are. / No, they aren’t.

Benadruk dat Engelse korte antwoorden wél het werkwoord herhalen: niet alleen 'yes' of 'no'.

Zin en vraag

Vergelijk:


  • You are in class 1B. → Are you in class 1B?

  • She is at school. → Is she at school?

  • They are happy. → Are they happy?

Deze slide maakt het patroon zichtbaar: zelfde woorden, andere volgorde.

Welke vraag is goed?

A

You are 13?

B

Are you 13?

C

Is you 13?

D

Am you 13?

Test of leerlingen het patroon kennen: in een vraag komt am/is/are vooraan.

Vul de vraag en het korte antwoord in

she your friend? Yes, she is. Are they early? No, they aren’t.

is
Are
Am
Is
are not
am

Correcte invulling: Is, is, Are. Let op het herhalen van het werkwoord in het korte antwoord.

De dagen van de week

  • Monday

  • Tuesday

  • Wednesday

  • Thursday

  • Friday

  • Saturday

  • Sunday


We schrijven de dagen van de week altijd met een hoofdletter

Wijs erop dat dagen in het Engels met een hoofdletter beginnen.

Dagen gebruiken in een zin

  • Monday is the first school day.

  • We have English on Tuesday.

  • Saturday and Sunday are the weekend.

  • Today is Friday.

Houd de voorbeelden herkenbaar voor school en weekritme.

De maanden van het jaar

  • January, February, March

  • April, May, June

  • July, August, September

  • October, November, December



We schrijven de maanden van het jaar altijd met een hoofdletter

Ook maanden krijgen in het Engels een hoofdletter.

Maanden gebruiken in een zin

  • My birthday is in May.

  • School starts in August.

  • December is a winter month.

  • January comes after December.

Deze slide heeft geen instructies

Welke dag komt na Tuesday?

A

Monday

B

Wednesday

C

Thursday

D

Friday

Eenvoudige controle of de volgorde van de dagen bekend is.

Vul dagen en maanden in

Today is Thursday. My birthday is in May. January comes after December.
Before April comes March. Yesterday it was Wednesday. The days of the weekend are Saturday and Sunday. The first day after the weekend is Monday.

Thursday
January
March
Wednesday
Saturday
Sunday
Monday
Monday
August
Sunday

Woorden en voorbeeldzinnen komen direct uit de contentslides over dagen en maanden.

Vervoersmiddelen

  • a bike

  • a bus

  • a car

  • a train

  • a tram

  • a plane

  • a boat

Gebruik bekende woorden eerst. Je kunt eventueel het verschil benoemen tussen 'bike' en 'bicycle', maar houd 'bike' als basiswoord.

Meer vervoerswoorden

  • a scooter

  • a taxi

  • a van

  • a truck

  • the underground

  • a ship

Kies bij bespreking eventueel welke woorden in het boek staan; de slide biedt een compacte set om te herhalen.

Meervoud in het Engels

Vaak maak je het meervoud met -s.


  • one bus → two buses

  • one car → two cars

  • one bike → two bikes

  • one train → two trains

Noem hier rustig dat sommige woorden alleen -s krijgen en dat 'bus' een extra -es krijgt. Niet uitdiepen met veel uitzonderingen.

Enkelvoud en meervoud

Let op het verschil:


  • a bus / buses

  • a tram / trams

  • a plane / planes

  • a boat / boats

Verbind dit eventueel aan 'there is' en 'there are' alleen mondeling als verrijking, maar houd de slide bij woordenschat en meervoud.

Vervoer in zinnen

  • The bus is late.

  • My bike is new.

  • The cars are in the street.

  • Two trains are at the station.

  • The planes are big.

Deze slide koppelt de vervoerswoorden terug aan 'to be' in enkelvoud en meervoud.

Wat is het meervoud van bus?

A

buss

B

buses

C

busses

D

busies

Sluit aan bij de slide waarin bus een extra -es krijgt.

Vul vervoerswoorden en meervoud in

The bus is late. Two trains are at the station. The planes are big.

Klaar? Zet de laptop even aan de kant en pak je boek. Maak opdr 2, 3, 6 en 7 op blz 88 en 89

bus
trains
planes
bike
train
plane
boats

Combineert woordenschat vervoer met enkelvoud en meervoud, precies zoals op de laatste slides van dit blok.

Wat heb jij vandaag geleerd?

Mogelijke antwoorden gaan over inhoud, bijvoorbeeld: to be, not, vragen, dagen, maanden, vervoer, meervoud. Bespreek kort wat leerlingen meenemen uit de les.

Wat vond je het moeilijkst?

Laat leerlingen benoemen wat moeilijk was, zoals am/is/are kiezen, ontkennende zinnen, vragen maken, dagen of maanden onthouden, of meervoud van bus.

Wat wil je nog een keer oefenen?

Stimuleer korte, concrete antwoorden over leerstrategie of inhoud, zoals herhalen, voorbeelden, woordlijst, of een specifiek woord/zinspatroon.

Woordenlijst

to be - het werkwoord zijn

negative - ontkennend

question - vraag

Monday - maandag

January - januari

bike - fiets

bus - bus

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

car - auto

train - trein

tram - tram

plane - vliegtuig

boat - boot

plural - meervoud

month - maand


Tijd over: Uitleg These, this, that, those

Deze slide heeft geen instructies