In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.
Onderdelen in deze les
Thema 7 geld - H4 taalverzorging
werkwoorden spellen
zwakke en sterke werkwoorden
persoonsvorm in de verleden tijd
Slide 1 - Tekstslide
Lesdoelen
* Ik weet hoe ik werkwoorden met een v of z moet spellen.
* Ik weet wat zwakke en sterke werkwoorden zijn.
* Ik weet hoe ik de persoonsvorm in de verleden tijd moet spellen.
Slide 2 - Tekstslide
Noem zoveel mogelijk werkwoorden
Slide 3 - Woordweb
Slide 4 - Video
De persoonsvorm spellen
ik
ik-vorm
ik drijf
ik raas
je/jij/u
ik-vorm + t
jij drijft
jij raast
hij/zij/het
ik-vorm + t
hij drijft
hij raast
wij
hele ww
wij drijven
wij razen
jullie
hele ww
jullie drijven
jullie razen
zij
hele ww
zij drijven
zij razen
Slide 5 - Tekstslide
Hij...(kiezen) ervoor om met muntgeld te betalen
A
kiest
B
kiezt
Slide 6 - Quizvraag
Voor haar verjaardag...(geven) wij haar een cadeaubon van 15 euro.
Slide 7 - Open vraag
Zwakke en sterke werkwoorden
Zwakke werkwoorden
blijven in een andere tijd hetzelfde klinken.
Sterke werkwoorden
hebben de kracht om in de verleden tijd van klank te veranderen.
bijv: ik loop-ik liep
Slide 8 - Tekstslide
Zwakke werkwoorden
Sterke werkwoorden
Werkwoord
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
Maken
ik maak
ik maakte
Werken
ik werk
ik werkte
Fietsen
ik fiets
ik fietste
Klappen
ik klap
ik klapde
Werkwoord
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
Slapen
ik slaap
ik sliep
Lopen
ik loop
ik liep
Kopen
ik koop
ik kocht
Schrijven
ik schrjijf
ik schreef
Wanneer een T of een D?
Haal -en van het werkwoord af. Kijk naar de laatste letter. Staat de letter in het Kofschip? Dan een T. Staat de letter niet in het Kofschip? Dan een D.
Er zijn geen regels hoe je deze werkwoorden moet veranderen in de verleden tijd. Behalve 1 regel:
Sterke werkwoorden met een IJ, worden een E.
Schrijven - schreven
Rijden - reden
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Video
Sterke werkwoorden
Zwakke werkwoorden
Lopen
Eten
Gamen
Kijken
Voetballen
Bakken
Slide 11 - Sleepvraag
Slide 12 - Video
De gasten...(stoppen) de fooi in een potje.
A
stopten
B
stopden
Slide 13 - Quizvraag
De vrienden...(maken) een overzicht van alle uitgaven van de vakantie.
A
maakten
B
maakden
Slide 14 - Quizvraag
Waarom...(besteden) Kasper al zijn spaargeld aan iets wat hij niet nodig had.
Slide 15 - Open vraag
Aan de slag
Begin op bladzijde 199.
Maak opdracht 1, 2, 3, 4 en 5.
Klaar? Studiemeter - Starttaal Online - Starttaal Vooraf op weg naar 1F - Thema 7 geld - H4 taalverzorging - alle oefeningen.